ECLI:NL:HR:2016:2240

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2016
Publicatiedatum
4 oktober 2016
Zaaknummer
15/02298
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 434 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 13 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen schending aanwezigheidsrecht bij afwezigheid verdachte en gevolmachtigde raadsman

Deze zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De verdachte was ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep gedetineerd en verscheen niet zelf, maar zijn uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsman was wel aanwezig en verzocht niet om aanhouding van de behandeling.

De Hoge Raad stelt vast dat de dagvaarding persoonlijk aan de verdachte was betekend en dat de raadsman namens de verdachte de verdediging voerde zonder verzoek tot uitstel. Hierdoor kan worden aangenomen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak.

De enkele omstandigheid dat de rechter niet wist dat de verdachte gedetineerd was, leidt niet tot een schending van het aanwezigheidsrecht. Het middel van cassatie faalt en het beroep wordt verworpen. De zaak wordt niet vernietigd maar bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat geen schending is van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.

Uitspraak

4 oktober 2016
Strafkamer
nr. S 15/02298
LBS/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 mei 2015, nummer 22/001742-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.W. de Gruijl, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat de verdachte in strijd met art. 6 EVRM Pro niet in de gelegenheid is gesteld bij de berechting van zijn zaak in hoger beroep aanwezig te zijn, aangezien hij ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep was gedetineerd in Detentiecentrum Zeist en nimmer bewust afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
2.2.
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:
(i) een akte van uitreiking - gehecht aan het dubbel van de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 2015 - inhoudende dat die dagvaarding op 31 maart 2015 in persoon aan de verdachte is uitgereikt;
(ii) het proces-verbaal van voormelde terechtzitting inhoudende dat aldaar de verdachte niet is verschenen, dat wel is verschenen mr. R.F.H. Tamboenan, namens mr. R.W. de Gruijl, die desgevraagd door de voorzitter heeft medegedeeld door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren, dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd en dat het onderzoek is gesloten.
2.3.
De TULP/MIR Registratiekaart van 11 maart 2016 houdt in dat de verdachte van 20 april 2015 tot 15 mei 2015 gedetineerd is geweest (vreemdelingenbewaring) in het huis van bewaring te Zeist.
2.4.
Indien de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen, maar de dagvaarding aan hem in persoon is betekend en de ter terechtzitting aanwezige, door de verdachte uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsman niet verzoekt de behandeling van de zaak aan te houden met het oog op de uitoefening van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, kan de rechter uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. In die situatie brengt de enkele omstandigheid dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak zich in detentie bevond zonder dat dit de rechter bekend was, niet mee dat achteraf moet worden vastgesteld dat feitelijk aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan.
2.5.
Het middel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 oktober 2016.