ECLI:NL:HR:2003:AF9559
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid verdediging bij afwezigheid verdachte in hoger beroep
In deze strafzaak is het cassatieberoep van verdachte verworpen door de Hoge Raad. Het hof had verdachte in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf, ondanks dat verdachte zelf niet aanwezig was bij de terechtzitting omdat hij in het buitenland gedetineerd zat. Zijn raadsman was echter uitdrukkelijk gemachtigd om de verdediging te voeren.
De verdediging voerde aan dat het hof ten onrechte had aangenomen dat de raadsman gemachtigd was en dat het hof had moeten onderzoeken of het mogelijk was verdachte alsnog te horen. De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 279 Sv Pro het voldoende is dat de raadsman verklaart uitdrukkelijk gemachtigd te zijn, zonder dat de rechter ambtshalve hoeft te onderzoeken of die verklaring waar is.
Verder was het hof niet gehouden om nader onderzoek te doen naar de toepassing van artikel 278, tweede lid, Sv, omdat noch de raadsman noch verdachte een verzoek tot aanhouding had gedaan. Het cassatieberoep faalde daarom in beide klachten en werd verworpen.
Dit arrest bevestigt de rechtsregel dat bij afwezigheid van verdachte in hoger beroep de uitdrukkelijke machtiging van de raadsman voldoende is voor voortzetting van de procedure zonder nader onderzoek door de rechter.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand waarbij verdachte is veroordeeld ondanks zijn afwezigheid.