Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
20 juni 2017.
Hoge Raad
De verdachte was op de zitting van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 22 december 2015 niet aanwezig omdat hij kort voor aanvang door de politie werd meegenomen en ingesloten op het politiebureau, terwijl hij had aangegeven een zitting om 11:40 uur te hebben. De raadsvrouwe was wel aanwezig en voerde de verdediging.
De Hoge Raad stelt vast dat het uitgangspunt is dat bij afwezigheid van de verdachte en aanwezigheid van een gemachtigde advocaat wordt aangenomen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn van het tegendeel. In deze zaak blijkt uit het politierapport dat de verdachte onvrijwillig werd ingesloten en dus niet aanwezig kon zijn.
Hierdoor is het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht geschonden. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep, zodat de verdachte alsnog in persoon kan worden gehoord.
De Hoge Raad benadrukt dat deze zaak verschilt van eerdere jurisprudentie waarin de verdachte al langere tijd gedetineerd was en voldoende gelegenheid had gehad om een aanhoudingsverzoek te doen. Hier was sprake van een plotselinge insluiting vlak voor de zitting.
De beslissing onderstreept het belang van het aanwezigheidsrecht van de verdachte tijdens de strafprocedure en de noodzaak dat rechters hier zorgvuldig mee omgaan.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling in hoger beroep met aanwezigheid van de verdachte.