Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
vanaf
% van de bouwsom
% van de bouwsom
3.Het geding in cassatie
4.Het criterium van onredelijke en willekeurige belastingheffing
Hofstra brengt het onderscheid helder onder woorden:
“De VNG pleit voor meer differentiatiemogelijkheden bij het verhaal van kosten van dienstverlening. Thans kunnen tariefsdifferentiaties uitsluitend afhankelijk worden gesteld van verschil in gebruik of genot dat men heeft van gemeentelijke bezittingen of diensten. Tariefsdifferentiaties afhankelijk van het gebruik, het voordeel, de kostentoerekening en dergelijke, sluiten volgens de VNG beter aan bij de eisen die de praktijk stelt aan een rechtmatige en doelmatige uitvoering van belastingverordeningen. Wij hebben in artikel 218, tweede lid, een bepaling opgenomen die aan onze wens tegemoet komt. Op grond van die bepaling staat het de gemeenten vrij die heffingsmaatstaven in de belastingverordening op te nemen welke zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de praktijk van de belastingheffing.”
Zie in dit geval bijvoorbeeld HR 14 augustus 2009, nr. 43 120, BNB 2009/276 [26] .
6.Toetsing aan de tweede voorwaarde: niet op het oog kan hebben gehad
“Het is derhalve ook niet mogelijk om te bepalen dat er per individuele dienstverlening
Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur
5.Beoordeling van de middelen
in abstracto’ heeft getoetst of de gehele legesverordening onverbindend was, terwijl in geschil was of de legesverordening
ten opzichte van belanghebbendeonverbindend was.
‘totale bouwkosten’