Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
geringfügig Beschäftigte. Die Duitse regeling houdt in dat als een werknemer minder dan een bepaald aantal uur per week werkt en een relatief laag bedrag per maand verdient, hij niet verzekerd is behalve tegen arbeidsongevallen. Ratio is de beperking van werkgeverslasten voor kleine baantjes. Volgens de redactie
V-N2014/54.27 is de
geringfügig Beschäftigte(thans:
mini-job) in Duitsland een veel voorkomend verschijnsel en gaat het om ruim 7 miljoen deeltijdbanen met een beloning van (thans) niet meer dan € 450 (tot 1 januari 2013: € 400) per maand.
mini-job, ook Duits ingezetenen, vielen wel onder het Duitse sociale-verzekeringssysteem, maar waren aldaar dus niet daadwerkelijk verzekerd tegen andere risico’s dan arbeidsongevallen, met name niet voor
Kindergelden ouderdomspensioen. De belanghebbenden waren – op de korte periode vóór 1 januari 1989 na in de zaak [X1] – onder de Nederlandse sociale-verzekeringswetgeving niet verzekerd tijdens hun Duitse werkperioden omdat zij (uitsluitend) in een andere staat werkten (art. 10 KB Pro 164 resp. art. 12 KB Pro 746) en omdat art. 13(2)(a) Vo. 1408/71 exclusief het sociale-verzekeringsstelsel van het werkland aanwijst (art. 6a AKW/art. 6a AOW). Daardoor hadden de belanghebbenden voor hun Duitse arbeidstijdvakken noch in Duitsland, noch in Nederland daadwerkelijk aanspraak op ouderdomspensioen c.q. kinderbijslag.
niet-bevoegde woonstaat Nederland verplicht tot toekenning van AOW/AKW-aanspraken, ook als naar nationaal recht geen verzekering bestond in de desbetreffende jaren. Het HvJ EU heeft die vraag echter niet beantwoord omdat hij uit ’s Raads verwijzingsuitspraak ten onrechte opmaakte dat naar Nederlands recht de Svb verplicht zou zijn hardheidsclausules ten gunste van de belanghebbenden tot te passen indien het HvJ EU zou oordelen dat Vo. 1408/71 ondanks zijn exclusieve werking niet in de weg staat aan uitkeringen in de niet-bevoegde Staat zolang geen sprake is van cumulatie.
Franzen e.a.arrest niet verhelderend en zou de CRvB nadere vragen aan het HvJ moeten hebben gesteld, met name vraag 3.
Bosmann, een
acte éclairéop te leveren: [X1] heeft voor die periode recht op AOW-partnertoeslag want naar intern recht vóór 1989 was zijn echtgenote AOW-verzekerd: art. 6a AOW gold nog niet en art. 2 KB Pro 557 zonderde haar niet uit. De exclusieve werking van Vo. 1408/71 veranderde dat in haar geval niet omdat zij in die periode evenmin voor ouderdomspensioen verzekerd was in Duitsland. Zij verkeerde dus in een
Bosmann-situatie. Wel resteert het twijfelpunt dat ’s Hofs rechtspraak ziet op uitkeringen niet gebaseerd op andere criteria dan inwonerschap, terwijl het bij [X1] (AOW) gaat om een op aansluitvoorwaarden, met name premieplicht gebaseerde verzekering.
Bosmannbeantwoordt niet de vraag of Nederland (i) van [X1] over de relevante periode alsnog voldoening aan de verzekeringsvoorwaarden (dus alsnog premiebetaling) mag eisen, dan wel (ii) AOW-aanspraken ter zake van de Duitse periode mag weigeren omdat geen premie betaald is ondanks het genoten zijn van relevant inkomen (waarover in de werkstaat géén premie is betaald, zodat geen premiecumulatie kan ontstaan). Die vraag moet dus aan het HvJ EU voorgelegd worden.
Bosmann-geval meer. Nu Vo. 1408/71 zich volgens ’s Hofs jurisprudentie niet verzet tegen aanvullende woonstaatverzekering in deze periode, mag echter art. 6a AKW/AOW, dat beoogt uitvoering te geven aan het éénstaatbeginsel van de Verordening, zich daartegen evenmin verzetten, mede gezien het vrije werknemersverkeer ex art. 45-48 VwEU. In deze periode is [X1] ’s echtgenote dus een quasi-
Bosmann-geval: haar uitsluiting door nationaal recht (art. 6a AKW/AOW) werd uitgeschakeld, en art. 2 KB Pro 557 sloot haar niet uit, zodat zij ook in deze periode verzekerd was. Ook voor deze periode geldt echter het in 1.9 genoemde premietwijfelpunt.
Bosmann-situatie zoals bij [X1] tot 1 juli 1989. Voor deze periode is het dus voor alle drie de belanghebbenden cruciaal om antwoord te krijgen op de door het HvJ EU niet-beantwoorde prejudiciële vraag 3 van de CRvB of het EU-recht (art. 45-48 VwEU, want de Verordening verplicht niet tot verzekering of uitkering) Nederland
verplichttetot aansluiting van, althans uitkering aan de belanghebbenden, én op de vraag welke consequenties bevestigende beantwoording heeft voor de premieplicht die de financieel-coherente tegenhanger is van een uitkeringsrecht voor de AOW.
2.De feiten en de gedingen voor de rechtbanken
geringfügig Beschäftigte. Op 22 september 2006 heeft [X1] een ouderdomspensioen ingevolge de AOW aangevraagd. Bij besluit van 3 oktober 2007 heeft de Svb hem een AOW-pensioen en een partnertoeslag toegekend. Op zijn pensioen is 88% gekort omdat hij meer dan 44 jaar niet verzekerd is geweest. Op de partnertoeslag is 16% gekort omdat zijn echtgenote meer dan acht jaar niet verzekerd is geweest. [X1] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit ter zake van (alleen) de korting op de partnertoeslag.
geringfügig Beschäftigteter zake van ouderdomspensioen. [X1] heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.
geringfügige Arbeitging, kwam zij in Duitsland niet in aanmerking voor Kindergeld. De Svb heeft bij besluit van 25 februari 2003 beschikt dat zij vanaf 1 januari 2001 geen recht had op kinderbijslag, aangezien zij vanaf die datum niet meer verzekerd was voor de AKW, en heeft die bijslag met ingang van 1 oktober 2002 beëindigd. [X3] heeft hiertegen bezwaar ingediend en gelijktijdig met terugwerkende kracht kinderbijslag aangevraagd onder verwijzing naar de hardheidsclausule (art. 24 KB Pro 746). [4] De Svb heeft [X3] ’s bezwaar op 17 september 2003 niet-ontvankelijk [5] verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Haar gelijktijdige beroep op de hardheidsclausule is bij brief van 15 maart 2004 afgewezen. In januari 2006 heeft zij opnieuw kinderbijslag aangevraagd, die bij besluit van de Svb van 27 maart 2006 is toegekend met ingang van het eerste kwartaal 2006. In juni 2007 heeft [X3] alsnog kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal 2002 aangevraagd, mede gelet op het feit dat haar bij besluit van 27 maart 2006 vanaf het eerste kwartaal 2006 kinderbijslag is toegekend zonder dat haar inkomensgegevens zijn veranderd, hetgeen volgens haar betekent dat zij indertijd ten onrechte geen kinderbijslag heeft ontvangen. Bij besluit van 5 juli 2007 heeft de Svb zijn beslissing van 27 maart 2006 ingetrokken en geoordeeld dat [X3] sinds 1 januari 2001 geen recht heeft op kinderbijslag. De Svb heeft het zijns inziens ten onrechte uitbetaalde bedrag niet teruggevorderd. [6] [X3] heeft bezwaar ingediend tegen de afwijzing. Bij besluit van 16 november 2007 heeft de Svb dat bezwaar ongegrond verklaard en haar verzoek om herziening van juni 2007 afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren gebleken. [X3] heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Maastricht. Hangende [X3] ’s beroep tegen dit besluit heeft de Svb op 6 februari 2008 een nieuw besluit genomen dat de motivering van het besluit van 16 november 2007 wijzigt: ingevolge art. 13(1)-(2) Vo. 1408/71 is volgens de Svb op [X3] alleen de Duitse wetgeving van toepassing is. Het beroep van [X3] wordt geacht mede gericht te zijn tegen dit nieuwe besluit.
3.De hogere beroepen op de Centrale Raad van beroep
Kits van Heijningenvan het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) (zie 10.4 hierna) heeft de CRvB voorts aangenomen dat [X2] en [X3] in de perioden in geding onderworpen waren aan de Duitse wetgeving. Met betrekking tot [X1] ’s echtgenote, die gedurende de gehele voor haar in geding zijnde periode slechts een aantal uren per maand als oproepkracht had gewerkt en niet meer dan twee of drie dagen per maand, zag de CRvB in het arrest
Kits van Heijningenen de in dat arrest door het HvJ EU genoemde jurisprudentie onvoldoende
acte éclairéom haar zaak te beslissen. [10] De CRvB heeft daarom in verband met de zaak [X1] de hieronder (3.6) geformuleerde vragen 1a en 1b prejudicieel aan het HvJ EU voorgelegd.
Bosmann, zij het dat het in
Bosmannom kinderbijslag en niet om ouderdomspensioen ging, en (iv) voor zowel de AKW als de AOW in gevallen als de litigieuze als voorwaarde voor de verzekeringsplicht ingezetenschap wordt gesteld (de CRvB wijst daarbij op het arrest
Kromhoutvan het HvJ EU, [11] waarin dat Hof de – toen nog premiegedragen – AKW lijkt aan te merken als een ingezetenenstelsel zonder (andere) toegangsvoorwaarden). Naar aanleiding van deze constateringen heeft de CRvB de hieronder (3.6) geformuleerde vraag 2 prejudicieel aan het HvJ EU voorgelegd.
4.De conclusie van de A-G Szpunar bij het HvJ EU en de commentaren daarop
V-N2014/54.27 tekende aan:
BNB2015/138) tekende bij deze conclusie aan:
RSV2015/249) daarentegen ziet deugd in de benadering van de A-G Szpunar:
Kits van Heijningen(zie 10.4 hieronder), is door het HvJ EU als volgt geherformuleerd:
Kits van Heijningen: hoe gering de arbeid(stijd) in de werkstaat ook, als er uitsluitend in die Staat wordt gearbeid, is in beginsel uitsluitend diens stelsel van toepassing:
bevoegdheid’(van de Svb, niet van de rechter) en gesuggereerd dat er ‘
mogelijk’een weg via die bestuurlijke hardheidsclausules bestaat om de belanghebbenden aan uitkeringsrechten te helpen (“… kan naar het inzicht van de Raad mogelijk ook ten aanzien van betrokkenen ertoe leiden dat de Svb zich ervan zal moeten vergewissen of [toepassing van art. 10 KB Pro 164 of art. 12 KB Pro 746] leidt tot een onbillijkheid ….”)
indienhet EU-recht daartoe zou nopen. Maar dan moet het EU-recht daartoe dus wel nopen. Of dat zo is, zegt het HvJ EU niet, hoewel de CRvB daar uitdrukkelijk naar heeft gevraagd (prejudiciële vraag 3). Het HvJ leest ’s Raads r.o. 10.8 ten onrechte aldus dat de Nederlandse wet hoe dan ook tot AOW/AKW-rechten voor de betrokkenen leidt als de exclusieve aanwijzing van het Duitse stelsel door art. 13 Vo Pro. 1408/71 zich niet verzet tegen (aanvullende) verzekering (althans uitkeringsrechten) in de woonstaat voor zover Duitsland niet uitkeert. Anderzijds ligt deze uitleg van het nationale recht (waartoe niet het HvJ EU, maar uitsluitend de nationale rechter bevoegd is) niet alleen aan het wenslezen door het HvJ, maar ook aan de suggestie van de CRvB in diens r.o. 10.8 dat de Svb reeds onder nationaal recht verplicht zou zijn de hardheidsclausules ten gunste van elke belanghebbenden toe te passen indien het HvJ antwoordt dat art. 13 Vo Pro. 1408/71 niet in de weg staat aan niet-cumulerende Nederlandse uitkeringen. Naar alleen nationaal recht beoordeeld is de Svb daartoe mijns inziens echter niet verplicht en zelfs niet bevoegd (zie 11.19 hieronder): daar is een
EU-rechtelijkeverplichting voor nodig. De vraag of die EU-rechtelijke verplichting bestaat (’s Raads prejudiciële vraag 3), heeft het HvJ echter kennelijk wensen te vermijden, want het kan het Hof moeilijk ontgaan zijn (i) dat ’s Raads r.o. 10.8 de aanloop is naar die
vraag 3en niet naar
vraag 2, die immers alleen over [X1] gaat en alleen over de periode vóór 1 juli 1989, en (ii) dat ’s Raads r.o. 10.8 expliciet verwijst naar “het feit dat betrokkenen gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer van werknemers.”
Bosmann [14] en
Hudzinski en Wawrzyniak [15] waarin hij reeds uitzonderingen op het éénstaatbeginsel van de Verordening heeft aanvaard:
niet verplichttot het toekennen van de betrokken uitkeringen.
[X3]wenst, overwoog het HvJ EU vervolgens:
Bosmann-geval is. Dat is mijns inziens niet zo. Anders dan het Duitse recht in de zaak
Bosmann, waarin kaal inwonerschap kennelijk voldoende was voor uitkeringsrecht, zonderde het Nederlandse recht [X3] in de gedingperioden juist expliciet uit van aansluiting bij het Nederlandse stelsel, geheel onafhankelijk van het éénstaatbeginsel van de Verordening, nl. in art. 10 KB Pro 164 en art. 12 KB Pro 746 (zie 8.13-8.14 en 8.18 hieronder).
Bosmann-geval geweest te zijn (zie nader 10.6 hieronder), maar ook voor die periode rijst het premieplichtprobleem (zie nader 11.12 en 11.15 hieronder). Hoe dan ook gaat het HvJ EU niet over de uitleg van Nederlands recht, maar u. ’s Hofs onjuiste veronderstellingen over de inhoud van Nederlands recht moeten door de Nederlandse rechter rechtgezet worden als die onjuiste veronderstellingen het prejudiciële (niet-)antwoord beïnvloed hebben en dat is in casu evident het geval: het Hof heeft ten onrechte vraag 3 niet beantwoord.
Bosmann-gevallen zou gaan:
verplichtde gevolgen van de Duitse soevereine keuze voor niet-verzekering op te heffen, dus om een dispariteit op te heffen, zonder daarvoor de premies te kunnen heffen die in vergelijkbare niet-grensoverschrijdende gevallen wél geheven zouden zijn. Op grond van zijn onjuiste lezing van het nationale recht heeft het HvJ die cruciale vraag echter niet beantwoord:
BNB2015/138) meent dat uit
Franzen e.a.volgt dat art. 6a(b) AOW/AKW (uitsluiting van personen die volgens Vo. 1408/71 onder het stelsel van een andere lidstaat vallen) niet mag worden toegepast op gevallen zoals die van de belanghebbenden en dat Nederland daarom nu in dergelijke gevallen achterblijvende buitenlandse sociale zekerheid moet suppleren tot het Nederlandse niveau:
Hudzinskien
Wawrzyniak(HvJ EU 12 juni 2012, C-611/10 en C-612/10, V-N 2012/32.26.12). (…) is onder andere van belang dat belanghebbenden in hun woonstaat ten gevolge van hun buitenlandse werkzaamheden geen rechten hebben verloren, hetgeen ook voor de hand liggend is nu de verzekeringsplicht aldaar is gecontinueerd. De vraag (…) is of er ten gevolge van de migratie extra rechten kunnen ontstaan. (…) De eindconclusie is dat indien aan de voorwaarden voor een uitkering in die niet-verzekerde staat wordt voldaan, de verordening niet aan dat recht in de weg staat. Hoewel de formulering in het arrest
Hudzinskien
Wawrzyniakniet geheel eenduidig is lijkt het erop dat het Hof van Justitie hier een afdwingbaar recht formuleert. Het Hof van Justitie oordeelt verder tevens expliciet dat niet relevant is dat (….) de rechten in de verzekerde staat niet zijn verminderd. Vervolgens komt wel de vraag in beeld of andere bepalingen in Verordening 1408/71 het aldus ontstane dubbele recht op uitkeringen blokkeren. Ik werk dat niet uit maar beperk me tot de weergave van het oordeel van het Hof van Justitie. De niet-verzekerde staat mag het recht op de uitkering niet weigeren op basis van het argument dat de gerechtigde in de verzekerde staat recht op een dergelijke uitkering heeft, maar bij de hoogte van het toe te kennen recht mag wel rekening worden gehouden met het in de verzekerde staat uitgekeerde recht door dat in mindering te brengen. Kortom, de niet-verzekerde staat behoeft alleen te suppleren.
RSV2015/249) bekritiseerde zowel de CRvB als het HvJ EU:
afgezienvan die clausule, inwonerschap volstaat voor het recht op gezinsbijslagen. Verder verbaast mij dat de auteur in de zaken van de belanghebbenden ‘een onvervalst negatief conflict’ ziet. Een negatief jurisdictieconflict lijkt mij niet aan de orde. Het Duitse stelsel wqs immers
volledigop de belanghebbenden van toepassing in exact dezelfde mate waarin het op Duits ingezetenen met een vergelijkbare baan van toepassing was. Dat dat stelsel slechts minimale sociale zekerheid opleverde, kan mijns inziens niet geweten worden aan een niet-bestaand jurisdictie-vacuüm, maar slechts aan Duitsland’s soevereine keuze om zijn wel degelijk vigerende jurisdictie aldus te gebruiken dat voor
geringfügig Beschäftigten, ook de Duitse, slechts minimale sociale zekerheid geboden wordt; een keuze die Duitsland onder zowel de Verordening als het vrije werknemersverkeer vrij staat.
V-N2015/23.13 merkt bij
Franzen e.a.op:
USZ2015/210) meent dat ’s Hofs arrest niet brengt wat de CRvB had gevraagd:
Franzene.a. stelde A-G Szpunar dat Bosmann en Hudzinski inderdaad niet van toepassing waren. Hij concludeerde dat [X3] , [X1] en [X2] als gevolg van de exclusieve werking van de lex loci laboris, en enkel en alleen omdat zij gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer, in Nederland socialezekerheidsrechten verloren zonder dat daar ‘nieuwe’ rechten in Duitsland tegenover stonden. De A-G achtte dit “betreurenswaardig” en “onaanvaardbaar”. Om dit probleem op te lossen, stelde de A-G voor dat de verdragsbepalingen inzake het recht op vrij verkeer in situaties waarin Franzen e.a. zich bevinden, zo uit te leggen dat ze vereisen dat de toepassing van de wettelijke regeling van de werkstaat tijdelijk wordt opgeschort en dat de wetgeving van het woonland wordt toegepast.
6.De einduitspraken van de CRvB en de commentaren daarop
bevoegdis ouderdomspensioen toe te kennen aan de belanghebbenden, (ii) (de strekking van) Vo. 1408/71 uitsluit dat het tot uitvoering daarvan dienende art. 6a AOW/AKW kan worden toegepast, (iii) het EU-recht de Svb
verplichtom de hardheidsclausules in de KB’s toe te passen voor alle met dat van de belanghebbenden vergelijkbare gevallen, en wel (iv) Verordeningsconform, leidende tot slechts één mogelijk uitkomst: (v) uitschakeling van ook de art. 10 KB Pro 164 en 12 KB 746.
Kindergeld, zodat zich geen cumulatie van uitkeringen voor dezelfde periode(n) kan voordoen, en evenmin dat [X3] Nederlands ingezetene was zodat zij op grond van art. 6 AKW Pro in beginsel verzekerd was, heeft de CRvB geoordeeld dat art. 6a(b) AKW resp. Vo. 1408/71 haar verzekering onder nationaal recht niet wegneemt:
USZ2016/275 dat het HvJ EU onduidelijk is over de plichten van de niet-bevoegde woonstaat en dat de CRvB ten onrechte uitkeringsrecht en verzekeringsplicht uit elkaar speelt en daarmee premieloze verzekering creëert:
NTFR2016/1848) meent dat de CRvB de niet-beantwoording door het HvJ van de derde prejudiciële vraag deels aan zichzelf heeft te wijten, omdat hij verwees naar de mogelijkheid om met toepassing van de hardheidsclausule de nationale regels terzijde te schuiven. Fijen bekritiseert de weg die de CRvB is ingeslagen:
7.Het geding in cassatie
A. De zaken van [X1] en [X2] (uw rolnr. 16/03746)
Bakker(HR 11 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3855) en uit uw eindarrest in die zaak (HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY6033) blijkt volgens de Svb dat u art. 6a AOW betrekt bij uw beoordeling van de verzekering ingevolge de AOW. De Svb meent dat de CRvB (ook) art. 6a AOW verkeerd heeft toegepast.
Franzen e.a.volgt niet dat het Unierecht verplicht tot zodanige toepassing van art. 25 KB Pro 164 (hardheidsclausule) dat de artt. 10 en 36 buiten toepassing blijven. Het HvJ EU heeft slechts antwoord gegeven op de vraag of Nederland uitkeringen mag toekennen als die mede zijn gebaseerd op tijdvakken waarin Duitsland de bevoegde Staat was. Het HvJ EU heeft zich uitsluitend uitgelaten over de vraag of Nederland prestaties mag toekennen, maar op geen enkele wijze over de mogelijkheid dat Nederland personen als verzekerd aanmerkt. Integendeel: ter zake van de kinderbijslag overweegt het HvJ EU juist dat deze niet afhangt van voorwaarden voor verzekering en dat verblijf volstaat.
Franzen e.a.niet bedoelde dat Nederland bevoegd is personen die ex art. 13(2)(a) Vo. 1408/7 exclusief onder een ander stelsel vallen toch in de AOW-verzekering op te nemen, blijkt volgens de Svb ook uit de jurisprudentie waarnaar hij in
Franzen e.a.verwijst. Uit de r.o. 58 t/m 61 blijkt dat hij de zaken
Bosmann(C-352/06) en
Hudzinski en Wawrzyniak(C-611/10 en C-612/10) als precedenten ziet. Het tweede dictum in
Franzen e.a.is een kopie van het eerste dictum in
Bosmann.
Franzen e.a.betekent volgens de Svb slechts dat de periode waarin de belanghebbenden exclusief onderworpen waren aan de Duitse wetgeving niet buiten beschouwing hoeft te blijven bij de toekenning van AOW-uitkeringen als die uitkeringen niet afhankelijk zijn van voorwaarden inzake werkzaamheden in loondienst of inzake verzekering; daarvan zijn zij echter wél afhankelijk. Dat vindt kennelijk ook de CRvB zelf, nu volgens hem het recht op uitkering pas ontstaat als de artt. 10 en 36 KB 164 buiten toepassing worden gelaten, en het buiten toepassing laten van die bepalingen volgens hem niet volgt uit het Unierecht en art. 94 Grondwet Pro, maar uit 'verordeningsconforme' toepassing van art. 25 KB Pro 164. Daaruit volgt dat aan de AOW geen aanspraken kunnen worden ontleend zonder voorafgaande verzekering.
Franzen e.a. niet de vraag heeft beantwoord of een lidstaat een migrerende werknemer in zijn verzekering mét bijbehorende verplichtingen kan opnemen als deze op grond van art. 13(2)(a) Vo. 1408/71 exclusief onderworpen is aan de wetgeving van een andere lidstaat.
Franzen e.a.geenszins dat het HvJ EU heeft bedoeld dat het recht op AOW en op AOW-toeslag naar nationaal recht niet afhankelijk is van voorwaarden inzake verzekering. Uit r.o. 57 blijkt dat de vraag of art. 13 Vo Pro. 1408/71 zich verzet tegen toekenning van prestaties in Nederland, beantwoord wordt in de veronderstelling dat de CRvB de hardheidsclausule van art. 25 KB Pro 164 zal toepassen. ‘s Hofs overweging dat inwonerschap zou volstaan voor AOW-aansluiting, is dus gebaseerd op de premisse dat de artt. 10 en 36 KB 164 door de CRvB buiten toepassing gelaten zullen worden op basis van art. 25 KB Pro 164. De Svb meent dat aan het arrest
Kromhoutniet de betekenis kan toekomen die de CRvB daaraan geeft (nl. dat de AKW en de AOW ingezetenenstelsels zonder overige verzekeringsvoorwaarden zouden zijn) en dat de CRvB ten onrechte bij de vraag of de Nederlandse volksverzekeringen een ingezetenenstelsel of een voorwaardenstelsel zijn, het arrest
De Ruyter [26] niet relevant acht louter omdat premieplicht in casu niet in geschil is. Ingevolge art. 6 Wet Pro financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is een onder art. 6 AOW Pro verzekerde ook premieplichtig. Niet van belang is dat de materiële gevolgen (premiebetaling) daarvan zich pas voordoen als premie-inkomen in de zin van art. 8 van Pro Wfsv wordt genoten. Het Nederlandse recht staat volgens de Svb niet toe onderscheid te maken tussen verzekering met premieplicht en verzekering zonder premieplicht. De vraag of een persoon onder de Nederlandse verzekering moet worden gebracht kan daarom niet los worden bezien, zoals de CRvB ten onrechte doet, van de vraag of die persoon ter zake van die verzekering premieplichtig is.
De Ruytervolgt volgens de Svb dat Nederland over de inkomsten van [X1] ’s echtgenote en van [X2] geen premie mag heffen en dat Nederland niet bevoegd was hen in de AOW-verzekering op te nemen. Daaraan doet volgens punt 41 van dat arrest niet af dat op hun inkomsten in Duitsland geen premies zijn ingehouden. Duitsland was wel bevoegd de betrokkenen in zijn verzekering op te nemen en premies te heffen, maar wenste personen zoals zij, met een
geringfügige Beschäftigung, niet in de premieheffing te betrekken. Zou Nederlandse hen alsnog in de Nederlandse premieheffing betrekken, dan zou dat de beleidskeuze van de Duitse wetgever frustreren en het vrij verkeer van werknemers belemmeren. De Svb verwijst naar de punten 38 en 39 van de conclusie van A-G Sharpston in de zaak
De Ruyter. Het p.-.v van de CRvB-zitting van 5 februari 2016 [27] vermeldt dat de Svb op dit punt heeft betoogd:
Ten Holder,
Luijten,
Zinneckeren
De Ruyteraf dat een lidstaat een migrerende werknemer die ex art. 13(2)(a) Vo. 1408/71 onderworpen is aan de wetgeving van een andere lidstaat, niet in zijn verplichte sociale verzekering op kan nemen als dat leidt tot premieplicht en dat daarbij niet van belang is dat de verzekerde onder omstandigheden ondanks zijn wettelijke onderworpenheid aan premieplicht niet daadwerkelijk premies betaalt.
Hendrixvolgt wel dat onder omstandigheden een nationale hardheidsclausule moet worden toegepast, maar de zeer specifieke context van dat geval verschilde van de zaken van de belanghebbenden. Het HvJ EU heeft niet gezegd dat het Unierecht dwingt tot toepassing van art. 25 KB Pro 164; hij heeft de bevoegdheid daartoe ook niet. Toepassing van art. 25 KB Pro 164 is toepassing van nationaal recht en de CRvB heeft die bepaling verkeerd toegepast. Gezien de band tussen verzekering en premieplicht ligt het niet in de rede om art. 25 KB Pro 164 toe te passen met zodanig terugwerkende kracht dat geen premieheffing mogelijk is en de facto verzekering zonder premieplicht ontstaat.
geringfügig Beschäftigtebeter af dan een Duits ingezetene in dezelfde werkzaamheid, die immers niet verzekerd is.
Franzen e.a.geenszins blijkt dat het HvJ heeft geoordeeld dat het recht op kinderbijslag volgens de Nederlandse regeling niet afhankelijk is van voorwaarden inzake verzekering. Hij meent voorts ook hier dat aan het arrest
Kromhoutniet de betekenis kan toekomen die de CRvB daaraan geeft. Waarom de CRvB dit arrest relevant acht voor de uitleg van de uitdrukking ‘’voorwaarden inzake verzekering’’ in de Nederlandse situatie volgt niet uit zijn uitspraak. De Svb meent dat de CRvB ten onrechte het arrest
De Ruyterniet relevant acht voor de vraag welk karakter de Nederlandse volksverzekeringen hebben. Hij acht onjuist ’s Raads overweging dat aan
De Ruyteren aan premieplicht in casu geen belang toekomt louter omdat premieplicht niet in geschil is. Uit
De Ruytervolgt dat [X3] ’s inkomsten in Nederland niet onderworpen mochten worden aan premieheffing. Daaraan doet volgens r.o. 41 van dat arrest niet af dat op de inkomsten in Duitsland geen premies zijn ingehouden. Het alsnog in de Nederlandse premieheffing betrekken van [X3] zou afbreuk doen aan de keuze van de Duitse wetgever om personen met
geringfügige Beschäftigungniet in de premieheffing te betrekken en zou bovendien het vrije verkeer van werknemers juist belemmeren. [28]
verweeraan dat zij noch in Nederland, noch in Duitsland recht heeft op kinderbijslag c.q. ouderdomspensioen, uitsluitend omdat zij gebruik heeft gemaakt van haar recht van vrij verkeer c.q. omdat zij door de Sociale Dienst genoopt werd om in Duitsland te werken. Zij meent met de CRvB dat art. 6a AKW/AOW Verordeningsconform moet worden uitgelegd en dat de artt. 24 en 12 BUB 19689 buiten toepassing moeten blijven. Zij verzoekt u de uitspraak van de CRvB als integraal herhaald en ingelast te beschouwen als verweer.
toestaatdat Nederland die verzekering toepast hoewel de betrokkene volgens Vo. 1408/71 exclusief is onderworpen aan de wetgeving van een andere lidstaat. Voor een veel langere periode gaat het er in deze zaken om of het Unierecht de niet-bevoegde staat Nederland ertoe
dwingtom personen in zijn verzekering op te nemen als het in beginsel exclusief toepasselijke recht van de bevoegde lidstaat de betrokkenen in concreto niet verzekert omdat zij te weinig verdienen.
geringfügig Beschäftigtenmoet opheffen die de bevoegde werkstaat Duitsland stelt. De CRvB heeft de belanghebbenden ook in de perioden waarin zij in Duitsland werkten in wezen op grond van hun ingezetenschap als
verzekerdevoor de Nederlandse volksverzekeringen aangemerkt waardoor zij ondanks de exclusieve toepasselijkheid van Duits recht toch aanspraak hebben op AOW- en AKW-uitkeringen. Dit oordeel heeft consequenties die ver uitstijgen boven het belang van de drie zaken. Het brengt grote administratieve lasten met zich mee maar ook het probleem dat Nederland mensen zou moeten verzekeren zonder premie te kunnen heffen. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU mag Nederland immers geen premies heffen als de werknemer aan de sociale zekerheidswetgeving van een andere lidstaat is onderworpen. De CRvB schuift deze kwestie veel te makkelijk terzijde met de opmerking dat de premieheffing in dit geding niet aan de orde is.
8.Wet- en regelgeving
Vo. 1408/71
Wanneer een lid van de Raad verklaart dat een ontwerp van wetgevingshandeling als bedoeld in de eerste alinea afbreuk zou doen aan belangrijke aspecten van zijn socialezekerheidsstelsel, met name het toepassingsgebied, de kosten en de financiële structuur ervan, of gevolgen zou hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel, kan hij verzoeken dat de aangelegenheid wordt voorgelegd aan de Europese Raad. In dat geval wordt de gewone wetgevingsprocedure geschorst. Na bespreking zal de Europese Raad, binnen 4 maanden na die schorsing:
.wegens verlof, staking of uitsluiting;
9.Toelichting op de KB’s
10.Jurisprudentie
Hof van Justitie van de EU
voordelen in de woonstaat. In reactie op dit arrest is de exclusieve werking van de toewijzingsregels opgenomen in art. 13 Vo Pro. 1408/71.
Petroni [44] (1975) betrof een Belgische pro rata korting op naar Belgisch recht verworven pensioenrechten, op de gronden dat Petroni ook in Italië reeds pensioen genoot en art. 46 Vo Pro. 1408/71 cumulatie verbood. Het HvJ EU overwoog – kort gezegd – dat het vrije werknemersverkeer meebrengt dat gebruikmaking van dat vrije verkeer niet tot gevolg mag hebben dat een migrerende werknemer pernsioenrechten verliest die hij op basis van uitsluitend de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat al heeft opgebouwd (
Petroni principle). Het Hof oordeelde daarom dat art. 46 Vo Pro. 1408/71 in strijd was met het vrije werknemersverkeer omdat het reeds naar enkel nationaal recht bestaande pensioenrechten kortte:
Petroni principleniet geldt bij de toepassing van de conflictregels die bepalen welk sociale-verzekeringsstelsel exclusief van toepassing is. Sommige commentatoren [47] menen niettemin dat met name ’s Hofs recente
Hudzinski-arrest (zie @) suggereert dat het
Petroni principletoch ook geldt bij de toepassing van de aanwijsregels.
Perenboom [48] betrof een Nederlands ingezetene die na het behalen van een (middelbare school) diploma 143 dagen in Duitsland werkte en daarover aldaar loonbelasting en sociale verzekeringsbijdragen betaalde. In Nederland heeft hij dat jaar niet in loondienst gewerkt en was hij geen loonbelasting verschuldigd. Vanwege zijn leeftijd (17) en Nederlands ingezetenschap viel hij wel onder de Nederlandse volksverzekeringen en vorderde de Nederlandse belastingdienst premies over zijn in Duitsland ontvangen loon, waarbij het premieplichting loon werd vastgesteld op 217/360ste van zijn jaarinkomen (217 was het aantal niet in Duitsland gewerkte en in Nederland verbleven dagen). Het HvJ EU oordeelde dat Nederland geen premie mocht heffen:
Kits van Heijningen [49] blijkt dat de werkstaat ook exclusief bevoegd is als de werkzaamheden uiterst beperkt van omvang zijn. De zaak betrof een Belgisch ingezetene die tot 1 november 1983 bij Philips in Eindhoven werkte. Hij was daarnaast docent aan een Nederlands instituut waar hij elke maandag en zaterdag twee uren les gaf. Per 1 november 1983 ging hij met pensioen bij Philips maar zette hij zijn werkzaamheden als docent voort. De vraag was nu of hij nadien uitsluitend in België onder de sociale verzekering viel. Dat was het geval: de omvang van de werkzaamheden doen niet ter zake:
Hendrix [50] over een Nederlander met een lichte verstandelijke handicap en recht op een Wajong [51] -uitkering. Op 1 juni 1999 verhuisde hij naar België, terwijl hij in Nederland bleef werken. Het UWV beëindigde zijn Wajong-uitkering per 1 juli 1999 op basis van art. 17(1)(c) Wajong, dat bepaalt dat de uitkering wordt ingetrokken met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Hof overwoog:
Bosmann [52] betrof een Belgische vrouw die met haar twee kinderen van 20 en 21 in Duitsland woonde, waar zij
Kindergeldvoor hen ontving. Nadat zij op 1 september 2005 in Nederland was gaan werken, werd haar het Duitse
Kindergeldgeweigerd omdat op haar ingevolge Vo. 1408/71 uitsluitend de wetgeving van de werkstaat (Nederland) van toepassing was. Bosmann was inderdaad aangesloten bij het Nederlandse stelsel, maar Nederland kent geen kinderbijslag toe voor kinderen ouder dan 18. De Duitse rechter wilde van het HvJ EU weten of art. 13(2)(a) Vo. 1408/71 met zich meebrengt dat een werknemer die onder Vo 1408/71 valt en op wie de socialezekerheidsregeling van de werkstaat van toepassing is, in haar woonstaat Duitsland gezinsbijslag kan ontvangen als blijkt dat zij wegens de leeftijd van haar kinderen de vergelijkbare bijslag in de bevoegde lidstaat niet kan krijgen. Het HvJ overwoog:
SR2008/49:
RSV2008/311 op dat het Hof in
Bosmannzijn jurisprudentie inzake art. 13(1) Vo. 1408/71 preciseerde:
Da Silva Martins [53] betrof een Portugees die zich in Duitsland had gevestigd en daar had gewerkt, alsmede daar bij de ziektekostenverzekering en de verzorgingsverzekering was aangesloten. Vanaf september 1996 ontving hij een Duits ouderdomspensioen en sinds mei 2000 ook een Portugees ouderdomspensioen. Toen de Duitse verzekeringsinstantie vernam dat hij zich per 31 juli 2002 als inwoner van Duitsland had laten uitschrijven om in Portugal te gaan wonen, heeft zij zijn verzorgingsverzekering beëindigd per 31 juli 2002 en hem verzocht de tussen augustus en december 2002 betaalde verzorgingstoelagen terug te betalen. De vraag was of Vo. 1408/71 dan wel de artt. 45 VWEU en 48 VWEU zich ertegen verzetten dat een persoon met een dubbel ouderdomspensioen die vanuit de werkstaat is verhuisd naar zijn Lid-staat van herkomst, op grond van een vrijwillig voortgezette aansluiting bij een verzorgingsverzekering in werkstaat een uitkering blijft ontvangen, in het bijzonder in de veronderstelling dat in de woonstaat geen uitkeringen voor het specifieke risico van hulpbehoevendheid bestaan. Het HvJ EU overwoog:
Hudzinski en Wawrzyniak [54] ging het om twee Polen die in Duitsland werkten. Hudzinski woonde in Polen en werkte daar als zelfstandige landbouwer en was daar sociaal verzekerd. Van 20 augustus t/m 7 december 2007 was hij seizoenarbeider voor een tuinbouwbedrijf in Duitsland en werd hij op zijn verzoek voor heel 2007 als onbeperkt belastingplichtig aangemerkt. Voor de periode waarin hij in Duitsland had gewerkt, verzocht hij om Duitse kinderbijslag voor zijn twee kinderen die in Polen woonden. Wawrzyniak woonde samen met vrouw en dochter in Polen waar hij sociaal verzekerd was. Van februari tot december 2006 werkte hij in Duitsland als gedetacheerd werknemer. Voor 2006 werd hij met zijn echtgenote in Duitsland in de inkomstenbelasting betrokken. Ook hij verzocht om Duitse kinderbijslag voor zijn in Polen wonende dochter voor de periode waarin hij in Duitsland had gewerkt. Zijn vrouw was ook in die periode bij de Poolse ziektekostenverzekering aangesloten en ontving in die periode Poolse kinderbijslag voor hun dochter. De vraag was of Duitsland kinderbijslag mocht toekennen aan tijdelijk in Duitsland tewerkgestelden ook wanneer hun uitoefening van het recht op vrij verkeer hen geen enkel juridisch nadeel heeft berokkend (het recht op kinderbijslag in Polen werd immers behouden) en zij en hun kinderen niet in Duitsland wonen. Het HvJ EU overwoog:
B [55] volgt dat een nauwe band met de niet-bevoegde Staat vereist is om die Staat bevoegd te achten ondanks exclusieve toepasselijkheid van het stelsel van de bevoegde Staat uitkeringen te doen. De zaak ging om de Tjechische K.B. die met haar man en in Frankrijk geboren minderjarige dochter in Frankrijk woonde en daar uitkeringen genoot. B. en haar man hadden ook een geregistreerde woonplaats in Tsjechië behouden. B. heeft in Tsjechië gezinsbijslag aangevraagd waarop geregistreerden recht hebben. De Tsjechische autoriteit besloot op enig moment de Tsjechische toelage in te trekken omdat Tsjechië niet meer de bevoegde lidstaat was, nu het belangencentrum van B. en haar familie in Frankrijk lag. De vraag was of Tsjechië nog bevoegd was gezinsbijslag aan B toe te kennen. Het Hof overwoog:
De Ruyterbetrof een Nederlander die in Frankrijk woonde maar in Nederland werkte voor een Nederlands gevestigd bedrijf. In de jaren 1997 t/m 2004 genoot De Ruyter inkomsten uit Nederlandse bron, waaronder lijfrente-uitkeringen. Zijn woonstaat Frankrijk onderwierp die lijfrenten aan een sociale heffing en een aanvullende heffing. De Ruyter achtte een verplichting om over dezelfde inkomsten aan twee verschillende sociale-zekerheidsstelsels bijdragen af te dragen in strijd met art. 13 Vo Pro. 1408/71. In Nederland waren al heffingen van gelijke aard toegepast. Het Hof overwoog: [56]
Commissie tegen Verenigd Koninkrijk [57] blijkt dat een cruciaal verschil bestaat tussen het onder geen enkel stelsel vallen (hetgeen de Verordening beoogt te voorkomen) en het wel onder een stelsel vallen maar niet aan de materiële verzekeringsvoorwaarden van dat stelsel voldoen. De Commissie verweet het VK dat het door van de aanvrager van bepaalde sociale uitkeringen te verlangen dat hij aan een verblijfsrechtcriterium voldeed, een voorwaarde had gesteld waarin Vo.883/2004 (de opvolger van Vo. 1408/71) niet voorziet. Het Hof overwoog:
Franzenjudgment (…).
Hudzinskicase was the following. By virtue of German law, a person who has a close connection with Germany, such as being subject to unlimited income tax there, and who fulfils all conditions for entitlement to family benefits is nevertheless excluded from these benefits if a comparable benefit is paid by another State. The Court was asked whether this provision was compatible with Union law. The Court replied that such legislation is likely to put migrant workers at a disadvantage compared with workers who have worked in only one Member State. A provision reducing [bedoeld zal zijn: subtracting; PJW] the amount of foreign family benefits from the amount due under its own legislation would be acceptable, but it would be incompatible with Articles 45-48 TFEU to exclude the persons concerned from entitlement to such benefits. In other words, it follows from this case-law that a Member State, not being the competent Member State (…), has the ‘right’ to grant family benefits to a worker with whom it has a ‘close connection’ and who fulfils the conditions laid down in its legislation for entitlement to benefits. But in practical terms, this Member State is in such a situation actually obliged to grant such benefits to the workers concerned. Entitlement cannot be denied for the sole reason that the person receives a comparable benefit from another Member State.
Franzencase, (…).
Franzen e.a.; PJW] the Court (…) referred to the Bosmann case-law and repeated that a Member State which is not the competent one (…), has nevertheless the power to grant, under certain conditions, benefits to a mobile worker under its own national law. By solving the case in this way, the Court actually avoided answering the third question raised by the referring court.”
BNB2004/92 [59] betrof een belanghebbende die tot 16 juni 1994 in Nederland werkte, daarna door zijn Nederlandse werkgever was gedetacheerd in België en die in juli 1994 naar België was verhuisd. In de eerste elf maanden van 1996 woonde en werkte hij in België en vanaf 1 december 1996 woonde en werkte hij weer in Nederland. De Nederlandse en Belgische autoriteiten zijn op basis van art. 17 Vo Pro 1408/71 (afwijkingen in onderling overleg) overeengekomen dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing bleef van 16 juni 1994 t/m 31 maart 1997. In geschil was of van belanghebbende over de eerste elf maanden van 1996 terecht premies volksverzekeringen waren geheven. U toetste de toepassing van 6a AOW aan EU-recht:
De Centrale Raad van Beroep
RSV2016/183, [60] gewezen ná de drie nu in cassatie bestreden CRvB-uitspraken, betrof een Nederlands ingezetene die enkele uren per maand in Duitsland had gewerkt maar die stelde in die periode (ook)
fulltimeals huisvrouw en moeder in Nederland te hebben gewerkt en daarom in Nederland verzekerd geweest te zijn voor de AOW. De Svb meende dat op haar uitsluitend de Duitse wetgeving van toepassing was geweest. In geschil was of zij terecht als niet-verzekerd voor de AOW was aangemerkt. De CRvB overwoog:
RSV2016/183 af in hoeverre deze uitspraak en de thans te beoordelen uitspraken van de CRvB en ook het HvJ EU-arrest
Franzen e.a.verenigbaar zijn met (eerdere) jurisprudentie van het HvJ EU, met name met het hierboven (10.13) geciteerde arrest
Commissie tegen het Verenigd Koninkrijk:
Bosmann. Hierin staat dat de toekenning van de Duitse kinderbijslagen niet in strijd komt met de arresten
Ten Holderen
Luijten, omdat de situaties van de betrokkenen in die arresten niet vergelijkbaar zijn met die van mevrouw Bosmann. In de casus
Ten Holderen
Luijtenging het volgens het hof immers om een verzekering voor de AAW resp. de toen nog niet gefiscaliseerde AKW van voor 1 januari 1989 en bij
Bosmanngaat het juist om een prestatie die in het geheel niet op verzekering berust. Dit klinkt ook bepaald niet onlogisch. Als er immers geen sprake is van verzekering, heb je ook niet te maken met de vermenging van lasten en aansprakelijkheden en dubbele premiebetaling waartoe de toepassing van het arrest
Nonnenmacher(HvJ 9 juni 1964,
Jur.1964 p. 583,
RSV1964/142) leidde en juist die uitvoeringsproblemen van het arrest
Nonnenmacherhadden de aanleiding gevormd voor de invoering van de exclusieve werking in art. 13 lid 1 Verordening Pro 1408/71.
Franzen e.a.is nu of de AOW en de AKW als verzekeringen dan wel als louter ingezetenenstelsels zonder verzekering moeten worden aangemerkt. De CRvB sorteert blijkens punt 10.3.2 van het verwijzingsbevel met een beroep op het arrest
Kromhoutvoor richting ingezetenenstelsel. Voor de AKW kan ik mij, vanaf 1 januari 1989 (datum fiscalisering), daarmee verenigen. Voor de AOW en de AWW/Anw zeker niet. De Europese Commissie en advocaat-generaal Szpunar hadden de suggestie om de AOW en de nog niet gefiscaliseerde AKW naar analogie met de casus
Bosmannals ingezetenenstelsel aan te merken beslist van de hand gewezen. Belangrijker nog was dat het hof in de arresten
Ten Holderen
Luijtenis uitgegaan van het verzekeringskarakter van de AAW en de — toen nog niet gefiscaliseerde — AKW en dat nog eens uitdrukkelijk bevestigd heeft in rechtsoverweging 32 van het arrest
Bosmann. Volledigheidshalve merk ik nog op dat de arresten
Ten Holderen
Luijteneen jaar na het arrest
Kromhoutzijn gewezen zodat niet zou kunnen worden gesteld dat die arresten door het arrest
Kromhoutzijn ingehaald.
Bosmann-arrest en rechtsoverwegingen 63 t/m 65 van het arrest
Franzenmoeilijk naast elkaar bestaan. Zij staan haaks op elkaar. Het is eigenlijk een paradox. Tenzij het beeld na de cassatieprocedure kantelt, zullen nieuwe procedures uitgelokt moeten worden teneinde helderheid te verkrijgen over de verhouding tussen de arresten
Bosmannen
Franzen.
Commissie v UK; zie 10.13; PJW] in de infractieprocedure toch werkelijk geen steun vinden. De benadering in het arrest van het HvJ en de uitspraak CRvB in de zaak
Franzenen de uitspraak CRvB van 12 augustus 2016 zijn niet makkelijk te verenigen met het arrest in de infractieprocedure.”
Bosmannen
FranzenAOW-pensioen of kinderbijslag moet betalen, wordt het daardoor nog niet de bevoegde lidstaat in de zin van titel II. Het werkland blijft immers de bevoegde lidstaat; (…). Daar gaat ook het hof in het arrest
Franzenvan uit. Volgens de arresten
Perenboom(102/75,
Jur.1977, p. 815,
RSV1977/815),
de Ruyteren
Hoogstadmag uitsluitend de bevoegde lidstaat premie heffen. Premiebetaling voor de door Nederland te betalen uitkeringen lijkt mij op het eerste gezicht lastig. Want hoe zou men premie kunnen heffen voor een tak van sociale zekerheid waarvan het Hof van Justitie EU eigenlijk in het arrest
Franzenlijkt te zeggen dat het een zuiver ingezetenenstelsel dat niet op verzekering berust, in de zin van het arrest
Bosmannis? Maar men kan het wel proberen.
11.Behandeling van de middelen
Ontvankelijkheid
BNB2004/92 [62] (zie 10.14) volgt dan ook dat u (ook) de toepassing van art. 6a AOW toetst. Nu art. 6a AKW materieel identiek luidt, moet mijns inziens hetzelfde gelden voor art. 6a AKW. Hoe dan ook betreffen alle zaken de toepassing van de hardheidsclausules van de artt. 25 van KB 164 en 24 van KB 746, die volgens de CRvB in casu de artt. 10 KB 164 en 12 KB 746 uitschakelen. Die laatste bepalingen zijn onder meer gebaseerd op art. 6 AOW Pro en art. 6 AKW Pro en hun toepassing staat dus hoe dan ook in cassatie ter beoordeling. Ik meen daarom dat de beroepen in cassatie van de Svb in alle zaken volledig inhoudelijk onderzocht moeten worden.
geringfügig Beschäftigte. In geschil is evenmin dat zij in die perioden onder de personele werkingssfeer van Vo. 1408/71 vielen en dat zij in Duitsland daadwerkelijk slechts verzekerd waren tegen arbeidsongevallen en geen aanspraak hadden op
Kindergeldof ouderdomspensioenopbouw omdat hun volledige onderworpenheid aan het Duitse sociale-zekerheidstelsel slechts zeer beperkt tot daadwerkelijke aansluiting bij dat stelsel leidde.
mini-jobin Duitsland (wel zouden zij, als zij in Nederland waren gebleven, premieplichtig zijn geweest); dit verlies van aanspraken staat op gespannen voet met het vrije werknemersverkeer ex art. 45 VwEU Pro en met de strekking van art. 48 VwEU Pro (met name met het
Petroni principle), maar
mini-job. Waren zij thuis gebleven of hadden zij een vergelijkbare kleine baan in Nederland genomen, dan zouden zij – anders dan hun Duitse collega’s op de Duitse werkvloer – aangesloten zijn geweest bij het voor hen veel betere Nederlandse stelsel. Zou Nederland hen ondanks de exclusieve aanwijzing van het Duitse stelsel toch verzekeren, althans aan hen AOW- resp. AKW-aanspraken toekennen, dan zou dat niet tot cumulatie van aanspraken leiden, nu Duitsland hen dergelijke aanspraken immers niet gaf. In zoverre zou verzekering, althans uitkering, in Nederland niet in strijd komen met het doel van Vo. 1408/71 om dubbele verzekering c.q. dubbele aanspraken te voorkomen. Het HvJ EU heeft dan ook geoordeeld dat in de gevallen van de belanghebbenden de Verordening zich niet verzet tegen toekenning van AOW- resp. AKW-aanspraken door Nederland.
verplichttot toekenning van AOW/AKW-aanspraken, ook als geen premie geheven kan worden omdat de betrokkenen exclusief onder het Duitse stelsel vielen (
Perenboom; De Ruijter). Duidelijk is dat Vo. 1408/71 niet tot verzekering verplicht, zodat het alleen het vrije werknemersverkeer ex art. 45 - 48 VwEU een dergelijke verplichting kan meebrengen. De CRvB heeft prejudicieel een daartoe strekkende vraag aan het HvJ EU voorgelegd (vraag 3), maar geen antwoord gekregen. Ook de eerdere jurisprudentie waarnaar het HvJ EU in zijn antwoord in
Franzen e.a.verwijst, beantwoordt deze vraag niet: ook uit
Ten Holder, Bosmannen
Hudzinski en Wawryznaikvolgt slechts dat Vo. 1408/71 zich er
niet tegen verzetdat de niet-bevoegde woonstaat een niet op premieplicht of andere verzekeringsvoorwaarden gebaseerde aanspraak toekent aan ingezetenen die volgens Vo. 1408/71 in de werkstaat zijn verzekerd, “wanneer dit naar zijn recht daadwerkelijk kan” (r.o. 32
Bosmann; r.o. 49
Hudzinski). Het HvJ gaat er dus in deze arresten - en ook in
Commissie v. Verenigd Koninkrijk(zie 10.13 hierboven) – van uit dat het nationale recht van de niet-bevoegde Staat in aansluiting voorziet, althans in een uitkeringsrecht. Aan de Verordening zelf kunnen immers geen aanspraken worden ontleend (afgezien van haar sterke werking).
en’) en de kinderbijslag in dit antwoord vandaan komen, want vraag 2 ging alleen over [X1] (‘s echtgenote), dus alleen over de AOW en alleen over de periode vóór 1989. Hoe dan ook, ‘s Hofs antwoord op vraag 2 houdt voor deze periode niet meer of anders in dan zijn eerdere jurisprudentie, met name niet anders dan het arrest
Bosmann(zie 10.6 hierboven). [X1] was vóór 1989 immers een
Bosmann-geval: verzekering door Nederland was naar intern Nederlands recht mogelijk. Art. 13 Vo Pro. 1408/71 verzet zich er dan niet tegen dat het niet-bevoegde Nederland uitkeringsrechten toekent mits dit niet leidt tot dubbele aanspraken. Dat wisten we al.
acte éclairéte hebben: [X1] heeft voor die periode recht op AOW-partnertoeslag want naar intern recht vóór 1989 was zijn echtgenote AOW-verzekerd: art. 6a AOW gold nog niet en art. 2 KB Pro 557 zonderde haar niet uit, en de exclusieve werking van Vo. 1408/71 veranderde dat in haar specifieke geval niet omdat zij in die periode evenmin voor ouderdomspensioen verzekerd was in Duitsland.
Bosmann-geval, maar
Bosmannbetrof een niet op premies of andere verzekeringsvoorwaarden (dan inwonerschap) gebaseerde woonstaatuitkering: Bosmann bleek volgens het HvJ “krachtens de Duitse wettelijke regeling, alleen al doordat zij in Duitsland woont, de kinderbijslag (…) te kunnen genieten” (r.o. 28). Bij [X1] daarentegen gaat het om een (wèl) op verzekeringsvoorwaarden, met name op premieplicht gebaseerde uitkering (AOW).
Bosmannbeantwoordt niet de vraag of Nederland (i) van [X1] over de relevante periode alsnog voldoening aan de verzekeringsvoorwaarden (dus alsnog premiebetaling) mag eisen, dan wel (ii) AOW-aanspraken ter zake van de Duitse periode mag weigeren omdat geen premie betaald is ondanks het genoten zijn van relevant inkomen (waarover in de werkstaat géén premie is betaald, zodat geen premiecumulatie kan ontstaan). Die vraag moet dus alsnog aan het HvJ EU voorgelegd worden.
Bosmann-geval meer: volgens het nationale recht van het niet-bevoegde Nederland (art. 6a AOW) was zij immers sinds 1989 expliciet
nietmeer verzekerd in Nederland. In r.o. 62 van
Franzen e.a.(die over kinderbijslag gaat en dus alleen over
Franzenlijkt te gaan, maar ik neem aan dat zij ook voor de AOW en dus ook voor
[X1]geldt) ziet het HvJ EU desondanks een quasi-
Bosmann-geval. In r.o. 62 zegt het HvJ EU immers (i) dat art. 6a(b) AKW/AOW ertoe strekt uitvoering te geven aan het Vo.-beginsel dat slechts één wetgeving van toepassing is, (ii) dat dit éénstaatbeginsel echter niet relevant is als cumulatie van aanspraken over dezelfde periode bij dezelfde persoon zich niet kan voordoen en (iii) dat art. 6a AKW/AOW daarom uitgeschakeld kan worden in gevallen waarin art. 13(2)(a) Vo. 1408/71 zich niet verzet tegen toekenning van aanspraken door de niet-bevoegde woonstaat. Anders gezegd: aan nationale uitvoering van het éénstaatbeginsel van de Verordening bestaat geen behoefte in gevallen waarin de Verordening zich niet verzet tegen verzekering, althans uitkering in de niet-bevoegde Staat, zoals in casu. Sterker nog: als de Verordening zich niet verzet tegen aanvullende woonstaatverzekering, dan mag art. 6a AKW/AOW zich als uitvoering van de Verordening, mede gezien art. 48 VwEU Pro, evenmin daartegen verzetten, aangenomen dat overigens, dus
afgezienvan art. 6a AKW/AOW
,voldaan is aan de nationale aansluitvoorwaarden. Dat laatste is tot 1 juli 1989 het geval, want het tot die datum geldende art. 2 KB Pro 557 (zie 8.12) zonderde [X1] ’s echtgenote niet uit: haar werkstaat Duitsland verzekerde haar immers niet “krachtens (de Duitse) wettelijke regeling inzake uitkering wegens ouderdom.”
acte éclairéte kijken: art. 6a AKW/AOW wordt in het geval van [X1] ’s echtgenote uitgeschakeld door Verordeningsconforme en art. 48 VwEU Pro-conforme uitleg van die bepaling, c.q. door de strekking van de rechtstreeks als nationale wet geldende Vo. 1408/71 en van art. 45 VwEU Pro, zodat de hoofdregel van art. 6 AKW Pro/AOW geldt. Het tot 1 juli 1989 geldende art. 2 KB Pro 557 sloot [X1] ’s echtgenote evenmin uit.
Bosmann, gaat het bij [X1] om een op verzekeringsvoorwaarden, met name premieplicht gebaseerde uitkering.
Bosmannbeantwoordt niet de vraag of Nederland (i) van [X1] ook over deze periode alsnog premiebetaling mag eisen, dan wel (ii) AOW-aanspraken ter zake van de Duitse periode mag weigeren omdat geen premie betaald is. Die vraag zou dus ook voor deze periode alsnog aan het HvJ EU voorgelegd moeten worden.
nietautomatisch tot Nederlandse verzekering leiden en (iii) dat als in het werkland een tak van verzekering ontbreekt, voor die tak
nietalsnog Nederlandse volksverzekering ontstaat (zie 9.3 hierboven). Hoe beroerd of non-existent het werklandstelsel dus ook is, het is expliciet
nietde bedoeling dat woonstaat Nederland daarvoor gaat compenseren. Dit is – sinds de KB-wijziging per 1 januari 1997 (zie 8.14 hierboven) – slechts anders als de betrokkene in het buitenland werkt voor een Nederlands ingezeten werkgever (zie 9.7 hierboven).
Bosmann-situatie, noch van een quasi-
Bosmann-situatie zoals beschreven in 11.13. Naar intern recht waren de belanghebbenden vanaf 1 juli 1989 hoe dan ook niet aangesloten bij enige tak van het Nederlandse stelsel. Daardoor rijst de vraag of het EU-recht (art. 45 - 48 VwEU, want de Verordening verplicht niet tot verzekering of uitkering) Nederland desondanks verplichtte tot aansluiting, althans tot uitkering. Precies die vraag heeft het HvJ EU echter niet beantwoord als gevolg van het in 5.5 geschetste samengestelde misverstand en wellicht ook als gevolg van ’s Hofs wens zo wijd mogelijk om deze hete brei heen te lopen. Toch lijkt het antwoord al in
Bosmannzelf gegeven te zijn: r.o. 27 van dat arrest luidt immers:
geenaansluiting bij het Nederlandse stelsel wenste, zodat hun gevallen niet als niet door de wetgever voorziene hardheid gezien kunnen worden. Het gaat hier mijns inziens om expliciete ‘hoofdregels’ van verzekering waarvan de Svb volgens de in 9.4 en 9.8 weergegeven toelichting niet voor individuele gevallen mag afwijken, dus te minder groepsgewijs bij
arrêt de règlement. Een ‘verordeningsconforme toepassing van de artikelen 25 van KB 164 en 24 van KB 746’ (aldus r.o. 4.10 einduitspraak CRvB) kan daar mijns inziens niets aan veranderen om de simpele reden dat de Verordening de lidstaten immers juist
nietverplicht tot enige (minimum)verzekering, maar slechts hun stelsels coördineert (zie 11.4 hierboven). Wat de CRvB mijns inziens in wezen gedaan heeft, is het nationale recht kunstzinnig aanpassen aan hetgeen de artt. 45 - 48 VwEU (vrij werknemersverkeer) volgens hem (zouden moeten) meebrengen. Maar de (niet-beantwoorde) vraag is nu juist
watdie art. 45 - 48 VwEU in casu meebrengen.
Petroni principleleidt. Dat vrije verkeer staat er immers in beginsel aan in de weg dat een inwoner inwonersrechten verliest uitsluitend als gevolg van het aanvaarden van een baan in een andere lidstaat (aangenomen dat hij dan nog vergelijkbaar is met een binnenslands arbeidende inwoner). Anderzijds valt niet in te zien waarom de woonstaat zou moeten opdraaien voor de gevolgen van niet-verzekering in de werkstaat, te minder nu de woonstaat de hem door de werkstaat aldus aangedane loonkostenconcurrentie dan deels zou financieren. Dat is anders als de woonstaat Nederland (alsnog) premie kan heffen over het werkstaatinkomen (dat in werkstaat Duitsland niet onderworpen is aan premieplicht, zodat van doublure geen sprake is), maar Nederlandse premieheffing over het Duitse loon zou de
werkgeverslasten die het Duitse systeem wil vermijden, op de
werknemerafwentelen, hetgeen het werknemersverkeer niet zal bevorderen. De boven (10.3 en 10.12) geciteerde arresten
Perenboomen
De Ruyterwijzen er op dat Nederland geen premie mag heffen als de Verordening Duitsland aanwijst. En als dat niet mag, valt niet in te zien waarom Nederland wel moet uitkeren.
Bosmannen ’s Hofs omzeiling van beantwoording van de prejudiciële vraag 3 van de CRvB er op wijzen dat die vraag 3 ontkennend beantwoord moet worden, met name bij op premieplicht gebaseerde aanspraken zoals de AOW, maar wellicht ook bij de gefiscaliseerde kinderbijslag die in
Bosmannaan de orde was, is dat antwoord niet
clair, juist gezien de moeite die het Hof genomen heeft om die vraag niet te beantwoorden.
Perenboomen
De Ruyterdat lijken te verbieden.
Bosmann) en het opnemen in de verzekering, dus inclusief premieplicht.
moetverstrekken die zijn stelsel wel, maar het stelsel van de werkstaat niet biedt, c.q. als de niet-bevoegde Staat de lagere werkstaatuitkeringen
moetaanvullen tot zijn eigen niveau zonder de premie te kunnen heffen die hij in het vergelijkbare interne geval wél heft, is het financiële evenwicht tussen premies en uitkeringen verstoord, subsidiëren lidstaten met goede stelsels lidstaten met loonkostenconcurrerende slechte stelsels, en ontstaat discriminatie tussen AOW-gerechtigden zonder premiebetaling en AOW-gerechtigden met premiebetaling, nog afgezien van de uitvoeringsproblemen – met name bij een aanvullingsplicht - waarop de Svb terecht wijst. Mag de niet-bevoegde woonstaat wél premie heffen om de uitkeringen te financieren waartoe hij door het EU-recht verplicht wordt, dan frustreert dat het loonkostenreductiebeleid van de werkstaat, is het éénstaatbeginsel in feite afgeschaft, en ontstaat discriminatie op de werkvloer tussen werknemers met hetzelfde werk die wel c.q. niet verzekerd zijn, met alle uitvoeringsproblemen van dien, die nu juist voorkomen moesten worden door het éénstaatbeginsel. Verplicht het EU-werknemersverkeer de niet-bevoegde woonstaat
nietom uit te keren c.q. aan te vullen in gevallen zoals die van de belanghebbenden, dan leidt hun uitoefening van hun vrij-verkeerrechten – al dan niet onder druk van de sociale dienst – tot een nauwelijks aanvaardbaar verlies van AOW-jaren en/of recht op kinderbijslag in vergelijking met inwoners die binnenslands vergelijkbaar werk doen of zelfs helemaal niet werken. Het aloude duivelse en politiek tot nu toe onoplosbare dilemma dat rijst als er niet geharmoniseerd wordt, duikt dus ook weer op: gelijkheid op de werkvloer of gelijkheid in de straat?