ECLI:NL:CRVB:2016:3050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid lidstaat voor AOW-verzekering bij grensarbeid en huishoudelijke werkzaamheden
Appellante, woonachtig in Nederland maar werkzaam in Duitsland, betwistte de beslissing van de Sociale verzekeringsbank (SvB) dat zij in bepaalde periodes niet verzekerd was voor de Nederlandse AOW. Zij stelde dat haar fulltime huishoudelijke werkzaamheden in Nederland als werkland moeten worden beschouwd, ondanks haar beperkte betaalde arbeid in Duitsland.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat Duitsland als bevoegde lidstaat geldt op grond van artikel 13, tweede lid, onder a, van Verordening 1408/71, waarbij de exclusiviteitsregel uitsluit dat Nederland de AOW-verzekering toepast. De Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar vaste jurisprudentie en het arrest van het Hof van Justitie (Franzen e.a.) dat beperkte arbeid in Duitsland niet afdoet aan de bevoegdheid van Duitsland.
De Raad benadrukt dat niet-beroepsmatige huishoudelijke werkzaamheden in Nederland niet leiden tot een andere bevoegdheid en dat de sociale zekerheidscoördinatie binnen de EU niet harmoniseert maar coördineert. Een uitzondering op de exclusiviteit van de aanwijsregels is niet van toepassing omdat appellante in de betwiste periode verzekerd was in Duitsland.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat Duitsland de bevoegde lidstaat is en wijst het hoger beroep af.