Uitspraak
PROCESVERLOOP
H. van der Most, A.F.L.B. Metz en J.A.J. Groenendaal.
OVERWEGINGEN
AOW-pensioen en een partnertoeslag toegekend. Op het pensioen is een korting van 88% toegepast, omdat[Appellant 2] gedurende meer dan 44 jaar niet verzekerd is geweest. Op de toeslag is een korting van 16% toegepast omdat zijn echtgenote gedurende meer dan acht jaar niet verzekerd is geweest.
1 januari 1992, is bepaald dat niet verzekerd is ingevolge de volksverzekeringen, de ingezetene die uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht.
KB 746, is - voor zover hier van belang - bepaald dat in deze besluiten wordt verstaan onder de volksverzekeringen: de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Kinderbijslagwet.
- wanneer hij door de wijze van beheer of van financiering van dit stelsel als werknemer … kan worden onderkend, dan wel,
- indien dergelijke criteria niet aanwezig zijn, wanneer hij verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een andere in bijlage I omschreven gebeurtenis, in het kader van een voor werknemers … ingesteld stelsel …, dan wel, bij gebreke van zulk een stelsel in de betrokken
Vo 1408/71.
Hof - onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden om op de voor te leggen vragen zelf te beslissen. In Kits van Heijningen ging het om een regelmatige dienstbetrekking (“een gedeelte van de volle werktijd”), terwijl in het geval van de echtgenote van[Appellant 2] de werkzaamheden gedurende een beperkt aantal uren per maand op basis van een oproepovereenkomst zijn verricht, waarbij de echtgenote van[Appellant 2] niet gehouden was aan de oproep gehoor te geven. De Raad wijst verder op de overweging in Kits van Heijningen dat de aanwijsregels onder meer ten doel hebben te beletten dat onder Vo 1408/71 vallende personen geen enkele sociale zekerheidsbescherming genieten. In een geval als het onderhavige zou dat echter juist het effect zijn van de kwalificatie van Duitsland als de werkstaat - en daarmee als de bevoegde lidstaat - en van de uitsluiting door Duitsland van een groot aantal sociale verzekeringen.
gaat de Raad er vooralsnog van uit dat ook zij als werknemer in de hier bedoelde zin kunnen worden aangemerkt, maar op basis van de nu ter beschikking staande gegevens is daarover twijfel mogelijk. De Raad acht het voor de beslissing van de onderhavige gedingen dan ook nuttig bij de toetsing van de vraag of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen de uitsluiting van de verzekering ingevolge de AOW respectievelijk de AKW van betrokkenen, ook de bepalingen inzake het vrij verkeer van personen (thans: unieburgers) te betrekken (nu de artikelen 20 en 21 van het VWEU).
socialezekerheidsprestaties minder gunstig is, is slechts verenigbaar met het recht van de Unie wanneer met name deze nationale regeling de betrokken werknemer niet benadeelt ten opzichte van personen die al hun werkzaamheden uitoefenen in de lidstaat waar deze regeling van toepassing is, en wanneer zij niet zonder meer inhoudt dat sociale bijdragen worden betaald zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat (Hof 30 juni 2011, C-388/09, Da Silva, punten 72 en 73). De toepassing, in voorkomende gevallen krachtens de bepalingen van
Vo 1408/71, van een nationale regeling die wat betreft socialezekerheidsprestaties minder gunstig is, kan in beginsel verenigbaar zijn met de vereisten van het primaire recht van de Unie inzake het vrije verkeer van personen (Hof 12 juni 2012, C-611/10 en C-612/10, Hudzinski en Wawrzyniak, punt 43).
Vo 1408/71 opgenomen voorschriften ter coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid behoren tot de regelingen inzake het vrije verkeer van personen, en dat deze voorschriften derhalve moeten bijdragen tot de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden. Hoewel krachtens artikel 13, tweede lid, onder a, van Vo 1408/71 op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont, neemt dit niet weg dat deze verordening er niet toe strekt de woonstaat te beletten deze persoon krachtens zijn wetgeving kinderbijslag toe te kennen. Op basis van het beginsel van exclusieve toepasselijkheid van de krachtens de bepalingen van titel II van
Vo 1408/71 aangewezen wetgeving kan niet worden uitgesloten dat een lidstaat die niet de bevoegde staat is en die het recht op een gezinsbijslag niet afhankelijk stelt van voorwaarden inzake werkzaamheden in loondienst of inzake verzekering, aan een persoon die op zijn grondgebied woont een dergelijke bijslag moet toekennen, wanneer dit naar zijn recht daadwerkelijk kan (Hudzinski en Wawrzyniak, punten 48 en 49). Onder verwijzing naar het arrest van 16 juli 2009, C-208/07, Von Chamier-Glisczinsky, punt 56, heeft het Hof in het arrest Hudzinski en Wawrzyniak, geoordeeld dat men het doel van Vo 1408/71 zou miskennen en zich buiten de doelstelling en het kader van artikel 48 van Pro het VWEU zou plaatsen, indien men
Vo 1408/71 in die zin zou willen uitleggen dat een lidstaat de werknemers en hun gezinsleden geen ruimere sociale bescherming mag bieden dan uit de toepassing van Vo 1408/71 voortvloeit. Immers, de regeling van de Unie ter coördinatie van de nationale wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid kan, behoudens uitdrukkelijke uitzonderingen in overeenstemming met de onderliggende doelstellingen ervan, niet op zodanige wijze worden toegepast dat de migrerende werknemer of zijn rechtverkrijgenden het recht verliezen op uitkeringen die enkel krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend (Hudzinski en Wawrzyniak, punten 55 en 56).