Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
Gebleken is dat [belanghebbende] niet voldoet aan 41 a, lid 1, onderdeel i Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Er zijn geen balansen, staten van baten en lasten, dan wel rapporten van een accountant (zoals bepaald in de statuten) opgemaakt. Er is geen (...) financiële verantwoording van transacties in Brazilië en Paraguay aanwezig. Er wordt de afspraak gemaakt dat met betrekking tot de jaren 2008 tot en met 2011 een administratie wordt opgesteld die voldoet aan het bepaalde hieromtrent in de wet- en regelgeving. Concreet zal dit ook moeten betekenen dat controle binnen een redelijke termijn mogelijk is. [Belanghebbende] handelt op dit moment in strijd met zowel externe regelgeving (zoals genoemd) en interne regelgeving (zie statuten). Vanzelfsprekend dient de administratie vanaf heden (naast de nog op te stellen administratie over de jaren 2008 tot en met 2011) aan alle regelgeving te voldoen, wil men de ANBI-status behouden. In de maand februari 2013 zal opnieuw een boekenonderzoek worden belegd waarbij deze afspraak wordt gecontroleerd. Indien bij dit te plannen boekenonderzoek geconcludeerd moet worden dat de administratie niet voldoet, of er niet wordt voldaan aan andere ANBI-voorwaarden heeft dit gevolgen voor de ANBI-status van [belanghebbende]. Intrekking van de ANBI-status zal dan (mogelijk met terugwerkende kracht) plaatsvinden’.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
$ 266.660
3.Het geding in cassatie
Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur
:algemeen nut beogende instellingen;
BNB 2002/97,
V-N2001/66.19). Algemeen wordt aangenomen dat de Hoge Raad deze relativering van de vrije bewijsleer (mede) baseert op het feit dat de belastingrechtspraak slechts één feitelijke instantie kent. Mogelijk dus dat de Hoge Raad vanaf 1 januari 2005, wanneer ook in belastingzaken een tweede feitelijke instantie zijn intrede doet, op dit punt soepeler zal worden. Daarnaast geldt nog dat de Awb, behoudens een aantal tussenbeslissingen waartegen overeenkomstig de vaste regel van het bestuursprocesrecht niet zelfstandig in beroep kan worden gekomen, niet voorziet in de mogelijkheid van een tussenuitspraak waarin een bewijsopdracht kan worden gegeven (vgl. HR 6 juli 1994, nr. 29 628,
BNB 1994/258).
BNB 1988/274, beslist de Hoge Raad dat het hof niet uitsluitend op basis van een prognose een aanbod tot getuigenbewijs van de hand mag wijzen, maar de aannemelijkheid van de getuigenverklaringen pas mag beoordelen nadat deze zijn afgelegd.
BNB 1993/301, beslist de Hoge Raad dat het in die zaak aan het hof vrijstaat voorbij te gaan aan het aanbod van belanghebbende tot getuigenbewijs. In het oordeel van het hof ligt namelijk besloten dat getuigenbewijs inzake de juistheid van de door belanghebbende gestelde feiten het hof niet tot een ander oordeel zouden brengen.
5.Beoordeling van de middelen
uitsluitendaan de artikelen 41a, 41b, 41c van de Uitvoeringsregeling AWR. Waar de klacht uitgaat van een andere lezing, mist die feitelijke grondslag. [71]
vanaf 1 januari 2008 tot aan de controle van de Belastingdienst[cursivering toegevoegd, A-G] geen jaarstukken opstelde en ook overigens geen enkele administratie voerde. [75]
in de periode tussen 1 januari 2008 en 7 november 2011geen jaarstukken heeft opgesteld en overigens ook geen enkele administratie voerde. Voorts impliceert de in geschil zijnde overweging van het Hof dat de overgelegde jaarrekening 2007 en 2008 en de grootboekkaarten 2008 van Associaçao niet kunnen worden aangemerkt als een adequaat te achten administratie van belanghebbende.