Conclusie
middelklaagt bezien in samenhang met de toelichting daarop dat ’s hofs verwerping van het verweer van de verdediging – inhoudende dat de niet-aangehouden verdachte had moeten worden gewezen op zijn recht voorafgaand aan zijn politieverhoor een raadsman te consulteren – van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of ontoereikend is gemotiveerd.
“Bewijsoverwegingen
Beroep op bewijsuitsluiting
Salduz/Turkije [1] een belangrijke uitspraak gedaan, waarvan de strekking door de Hoge Raad in het arrest van 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079,
NJ2009/349, m.nt. Schalken als volgt is uiteengezet:
NJ2010/615. Aan dit uitgangspunt heeft de Hoge Raad sindsdien steeds de hand gehouden. [2] Wel heeft hij zijn rechtspraak in zoverre genuanceerd dat ook de verdachte die zich “in een met een aanhouding vergelijkbare situatie bevindt”, aan art. 6 EVRM Pro een aanspraak op consultatiebijstand kan ontlenen. [3] Daarbij moet vooral worden gedacht aan de verdachte die reeds uit anderen hoofde is gedetineerd, zo blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Dat nog onder andere omstandigheden een met aanhouding vergelijkbare situatie denkbaar is, heeft de Hoge Raad niet uitgesloten maar daarvan zal niet licht sprake zijn. [4] Het is volgens de Hoge Raad in de eerste plaats aan de wetgever onder ogen te zien of en onder welke voorwaarden ook bepaalde algemene categorieën van niet-aangehouden en niet als jeugdigen aan te merken verdachten recht hebben op bijstand van een advocaat bij een politieverhoor. [5]
Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk [7] (verder het arrest respectievelijk de zaak Ibrahim). Met het oog op het hiernavolgende geef ik eerst een korte schets van die zaak. Nadat op 7 juli 2005 in het Londense openbaar vervoer vier bomaanslagen hadden plaatsgevonden, mislukte een volgende aanslag op 21 (en 23) juli 2005 grotendeels. De eerste drie klagers in de zaak Ibrahim waren in de week na de tweede aanslag aangehouden. Ieder van hen werd als verdachte van het plegen van deze tweede aanslag verhoord. Een vierde man (de vierde klager) werd aanvankelijk als getuige gehoord. Gedurende dat verhoor concludeerden de verhorende ambtenaren op basis van door hem gegeven antwoorden dat hij zichzelf dreigde te belasten, dat hij daarom diende te worden aangemerkt als verdachte en dat hij derhalve op zijn zwijgrecht en recht op rechtsbijstand diende te worden gewezen. De verhorende opsporingsambtenaren kregen evenwel van een leidinggevende de opdracht de ondervraging van de betrokkene als getuige voort te zetten.
as a whole”. Voor de tweede toetsingsstap somt de Grote Kamer in de Ibrahim zaak een tiental relevante factoren op. Aldus lijkt het erop dat in zo een geval de, in de bedoelde fase afgelegde, verklaringen van de verdachte niet altijd, per definitie, voor het bewijs hoeven te worden uitgesloten. [9] Met dit toetsingskader heeft het EHRM het er niet eenvoudiger op gemaakt, om de (noodzaak tot) eerbiediging van het recht op een eerlijk proces in individuele strafzaken (in brede zin) te waarborgen respectievelijk te beoordelen.
Salduz/Turkijeop het standpunt stelde dat toegang tot een advocaat vanaf het eerste politieverhoor van een verdachte moet worden geboden, dacht het EHRM daarbij ogenschijnlijk vooral aan “detainees”. [11] Later bleek uit Straatsburgse rechtspraak dat niet iedereen die met de politie in aanraking komt en ten gevolge daarvan in enige mate zijn bewegingsvrijheid heeft verloren reeds daarom recht heeft op toegang tot een advocaat, maar dat dit recht wel is toegekend in gevallen waarin de verdachte weliswaar formeel niet is aangehouden maar niettemin sprake is van een “significant curtailment of [his] freedom of action”. Omdat volgens de kleine kamer van het EHRM in de zaak Ibrahim een dergelijke significante insnoering van de bewegingsvrijheid zich niet voordeed, concludeerde zij ten aanzien van de vierde klager dat een schending van het recht op toegang tot een advocaat niet aan de orde was. [12] Uit de geciteerde overwegingen van de Grote Kamer in de zaak Ibrahim kan niet worden opgemaakt dat het EHRM zich van dit facet van zijn eigen rechtspraak heeft willen verwijderen. Daarbij zij bovendien opgemerkt dat de wel heel bijzondere omstandigheden die aan de zaak ten grondslag lagen ertegen pleiten om impliciete koerswijzigingen met een algemene strekking uit het arrest Ibrahim af te leiden. Aan de andere kant kan de steller van het middel worden toegegeven dat de Grote Kamer in de zaak Ibrahim stilzwijgend voorbij is gegaan aan het gegeven dat de vierde klager niet was aangehouden en aan de vraag of zijn bewegingsvrijheid significant was beperkt. Dat is opmerkelijk, en ik meen daarin een sterke aanwijzing te kunnen vinden dat de Grote Kamer hier niet het vereiste van “significant curtailment” heeft willen stellen, nu de klacht van de vierde klager in eerste Straatsburgse aanleg nog was afgestuit op de reeds in eerdere uitspraken verwoorde grond dat het recht op rechtsbijstand zou zijn voorbehouden aan verdachten die in hun bewegingsvrijheid beperkt waren. De Grote Kamer heeft zich in de zaak Ibrahim onder meer geconcentreerd op de vraag vanaf welk moment de “criminal charge” ontstond en heeft vervolgens aan de hand daarvan beoordeeld of de klager als verdachte in beginsel recht had op toegang tot een advocaat.
Simeonovi/Bulgarije(verder de zaak Simeonovi) nogmaals gebogen
. [13] De uitspraak in die zaak laat een eerste glimp zien van de consequenties van de in de zaak Ibrahim gevolgde lijn ten aanzien van de stapsgewijze beoordeling van een gestelde schending van art. 6 EVRM Pro in het geval er géén “compelling reasons” voor beperking van het recht op toegang tot een advocaat aanwezig zijn. [14] Daarnaast, en dat is voor de onderhavige zaak van belang, geeft het arrest van het EHRM in de zaak Simeonovi enige steun aan het, ook in het middel ingenomen, standpunt over de voorwaarden waaronder en het moment waarop het recht op toegang tot een advocaat tot leven komt. Op zichzelf stond dat moment in de zaak Simeonovi niet ter discussie. De verdachte was op 6 oktober 1999 aangehouden op verdenking van – kort gezegd – een overval met dodelijke afloop. De eerste drie dagen van zijn police custody had de verdachte geen toegang tot een advocaat gehad. Tijdens deze dagen, zo had het EHRM vastgesteld, was evenwel geen bruikbaar bewijs verkregen, hetgeen de vraag of ook dan nog wel van een fair trial gesproken kan worden evenwel niet wegneemt (de Grote Kamer beantwoordde deze vraag in meerderheid bevestigend). Toen de verdachte twee weken later vrijwillig een bekentenis aflegde, werd hij bijgestaan door een advocaat. Daaraan voorafgaand had hij informatie gekregen over zijn procedurele rechten. Bulgarije erkende dat de klager al vanaf zijn aanhouding en eerste verhoor het recht op toegang tot een advocaat geboden had moeten worden. [15] Over de aanvang van het recht op toegang tot een advocaat overweegt de Grote Kamer in de zaak Simeonovi nadrukkelijk:
Severini/San Marino) was een journalist aanvankelijk als getuige gehoord in een zaak over enkele lasterlijke artikelen die waren geplaatst op een website waarvoor de journalist werkte. Later werd hij verhoord als verdachte. Hij had toen de beschikking gekregen over bijstand van een advocaat. De overweging van het EHRM over die statusverandering luidt:
Türk/Turkije) neemt het EHRM als vertrekpunt van zijn overwegingen:
Türk/Turkijewas op 16 februari 2004 reeds aangehouden. Maar dat neemt niet weg dat de overweging zich aldus laat uitleggen dat uit het feit dat de verdachte “charged” was rechtstreeks en dwingend (“and thus”) voortvloeit dat de verdachte in algemene zin recht heeft op bijstand van een advocaat en recht heeft op informatie daarover.
Stcrt.2010, 4003; hier verder de Aanwijzing).
“(Aanhouding na) uitnodiging op het bureau
NJ2016/52, m.nt. Klip (6.4.3), waarin de Hoge Raad met zoveel woorden zei er van uit te gaan dat met ingang van 1 maart 2016 “toepassing zal worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie”. Per 1 maart 2017 is de Wet tot implementatie van de EU-richtlijn over dit strafvorderlijke thema in werking getreden. [17] Om die reden is op dezelfde dag de Aanwijzing komen te vervallen.
Stb. 2017, 475 (i.w.tr. op 1 maart 2017), maar niet wat het tweede en het vijfde lid betreft. Deze leden luiden:
Tweede lid