Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
10 maart 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens een huiszoeking zonder voorafgaand advocaatconsult, als bewijs mocht worden gebruikt. De verdachte werd bevraagd over een aangetroffen vuurwapen terwijl zijn bewegingsvrijheid in de woning beperkt was door maatregelen van de rechter-commissaris. De verdediging stelde dat dit een situatie vergelijkbaar met een aanhouding was, waardoor het recht op advocaat voorafgaand aan verhoor van toepassing zou zijn en bewijsuitsluiting noodzakelijk.
Het hof oordeelde echter dat de beperkingen niet gelijkstonden aan een aanhouding en dat de verklaring daarom niet uitgesloten hoefde te worden. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en vond dat de situatie niet viel onder de beschermingsregels van het Salduz-arrest. De verklaring kon derhalve als bewijs dienen.
De Hoge Raad benadrukte dat de verdachte niet vrij was om zich aan het onderzoek te onttrekken, maar dat dit niet voldoende was om de situatie als aanhouding te kwalificeren. Ook werd gewezen op het onderscheid tussen een verklaring over inbeslaggenomen voorwerpen en een verhoor in de zin van art. 29 Sv Pro. Het beroep van de verdachte werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de verklaring van verdachte tijdens huiszoeking zonder advocaat als bewijs kan dienen.