Conclusie
“overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”tot een gevangenisstraf van drie weken.
wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven”.
wistdat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard vloeit uit de gebezigde bewijsmiddelen echter niet voort. De enkele omstandigheid dat de verdachte reeds (meermalen) onherroepelijk is veroordeeld voor overtreding van art. 9, tweede lid, WVW 1994 maakt dit niet anders. [5] Zoals mijn ambtgenoot Vellinga in zijn conclusie vóór HR 22 december 2015 immers opmerkt, kan niet zonder meer worden aangenomen dat iemand die een straf moet ondergaan ervan op de hoogte is voor welk feit of welke feiten die straf is opgelegd. Dit vergt immers een geordend leven en goed overzicht over veroordelingen en ten uitvoer gelegde straffen. Over een dergelijk geordend leven en overzicht plegen veroordeelden bepaald niet steeds te beschikken. Dat het laatste in het onderhavige geval anders zou zijn, is niet vastgesteld. In zoverre is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.