ECLI:NL:HR:2012:BV8246
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring ongeldigverklaring rijbewijs wegens onvoldoende bewijs kennis verdachte
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte werd door het hof veroordeeld omdat hij op 20 september 2008 een voertuig bestuurde terwijl zijn rijbewijs sinds 21 maart 2008 ongeldig was verklaard wegens het niet betalen van een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA).
Het hof baseerde zijn oordeel onder meer op het feit dat het besluit tot ongeldigverklaring per aangetekende brief aan verdachte was verzonden, maar retour kwam met de mededeling dat de brief niet was afgehaald. Ook speelde mee dat verdachte een brief van het CBR had ontvangen waarin de EMA werd opgelegd en dat zijn raadsman bezwaar had aangetekend tegen dat besluit. Het hof oordeelde dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was en verwierp het verweer van onwetendheid.
De Hoge Raad oordeelt echter dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs van de ongeldigverklaring op de hoogte was. De retour gezonden aangetekende brief is zonder nadere motivering onvoldoende bewijs. Ook het ontvangen van de EMA-brief en het bezwaar van de raadsman leiden niet tot het oordeel dat verdachte kennis had van de ongeldigverklaring. De bewezenverklaring is daarom niet met redenen omkleed en moet worden vernietigd.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde behandeling. Dit arrest benadrukt het belang van een deugdelijke bewijsvoering omtrent de kennis van de verdachte over de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende bewijs dat verdachte redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.