Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
12 november 2013.
Hoge Raad
Verdachte werd veroordeeld voor het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof had geoordeeld dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was, mede op basis van een aangetekende brief die niet retour was gekomen en zijn eerdere aanhoudingen voor alcoholgerelateerde verkeersovertredingen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte redelijkerwijs op de hoogte was van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. De enkele omstandigheid dat de aangetekende brief niet retour kwam, is onvoldoende om te concluderen dat verdachte kennis had van de ongeldigverklaring.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling in hoger beroep. De zaak wordt opnieuw behandeld en afgedaan, waarbij de motivering van de bewezenverklaring adequaat moet worden onderbouwd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.