Conclusie
eerste middelkomt op tegen de bewezenverklaring van de onder 1 bewezenverklaarde poging tot moord en bevat vier deelklachten. De stellers van het middel voeren aan dat:
(i) uit de gebezigde bewijsmiddelen niet het bewezenverklaarde opzet kan worden afgeleid;
(ii) uit de gebezigde bewijsmiddelen niet de bewezenverklaarde voorbedachte raad kan worden afgeleid;
tweede middelkomt op tegen de onder 2 bewezenverklaarde overtreding van de Vuurwapenwet BES en de kwalificatie daarvan. Volgens de stellers van het middel blijkt uit de bewijsmiddelen niet om wat voor een vuurwapen of wat voor munitie het gaat, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. In het verlengde daarvan zou ook de kwalificatie van de bewezenverklaring als ‘’overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3 lid 1 van Pro de Vuurwapenwet BES, meermalen gepleegd’’ onjuist, althans onbegrijpelijk zijn. Tot slot bevat het middel deelklachten die gelijk zijn aan de derde en vierde deelklacht van het eerste middel. Deze klachten falen op dezelfde gronden als weergegeven bij het eerste middel zodat ik met een verwijzing daarnaar volsta en mij richt op de eerstgenoemde twee klachten.
derde middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof dat geen aanknopingspunten voor de aanwezigheid van een rechtvaardigings- of strafuitsluitingsgrond bestaan, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Het hof heeft overwogen dat de stukken in het dossier de lezing van de verdachte dat hij zelf (ook) is beschoten, niet uitsluiten. In het licht daarvan had het hof volgens de stellers van het middel moeten doen blijken van een onderzoek naar de juistheid van deze lezing en nader moeten onderzoeken en motiveren of sprake is van een eventuele noodweersituatie.