Conclusie
belaging”, 2. “
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en “
bedreiging met brandstichting”, 3. “
verduistering” en 5, 7, 8 en 9, telkens “
oplichting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Ook heeft het hof de vorderingen van vier benadeelde partijen toegewezen tot bedragen van respectievelijk € 1.141,72, € 229,00, € 500,00 en € 1.645,00 en één benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft de verdachte voorts verwezen in de kosten die zijn gemaakt door de benadeelde partijen waarvan de vorderingen zijn toegewezen en aan de toegewezen vorderingen steeds de schadevergoedingsmaatregel van art. 36f Sr verbonden.
eerste middelklaagt dat de bewezenverklaring en bewijsmotivering ten aanzien van feit 1 onderling tegenstrijdig zijn.
onbegrijpelijkheid” zich niet leent voor verbeterde lezing. Het zou de rechter niet aangaan om in weerwil van het wettelijk systeem waarin de bewezenverklaring zoals deze is opgenomen in het arrest bepalend is, daarin nadien correcties aan te brengen of haar verbeterd te lezen.
“het in balans brengen van de werkelijke belangen die in de voorgelegde zaak aan de orde zijn.” [2] Dat rechtvaardigt een deformaliseringstendens in de rechtspraak van de Hoge Raad, waarin ondergeschikte vergissingen, kleine misslagen en kennelijke verschrijvingen worden gecorrigeerd. Verbeterde lezing van de bewezenverklaring past goed in die trend en de Hoge Raad is daartoe dan ook in voorkomende gevallen bereid gebleken. [3] Wanneer geen twijfel bestaat dat het hof heeft bedoeld een onderdeel van de tenlastelegging bewezen te verklaren, maar het arrest abusievelijk de indruk wekt dat het hof daarvan heeft vrijgesproken, stuit verbeterde lezing van de bewezenverklaring niet op grote bezwaren.
volgt dat de verdachte aangeefster [betrokkene 6] in de periode van 26 oktober 2012 tot en met 6 januari 2013 veelvuldig heeft gebeld en voicemailberichten heeft achtergelaten, veelvuldig heeft ge-smst, veelvuldig heeft gemaild en haar bij haar woning heeft opgezocht.” Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen 5 en 6 dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode ten minste twee keer bij de woning van de aangeefster is geweest en zich aldaar heeft gedragen op een wijze die inbreuk maakte op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Onder deze omstandigheden kan er geen misverstand over bestaan dat het hof heeft bedoeld ook de andere tenlastegelegde feitelijkheden dan het bellen bewezen te verklaren, maar deze abusievelijk niet in de bewezenverklaring heeft opgenomen. Die misslag leent zich voor verbeterde lezing. Zodoende ontvalt aan het middel de feitelijke grondslag.
tweede middelklaagt dat het hof art. 342, tweede lid, Sv heeft geschonden, doordat het de bewezenverklaring van feit 2 uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van de aangeefster, althans dat het oordeel van het hof dat die verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal ontoereikend is gemotiveerd.
“het tweede bewijsmiddel [..] geschikt[moet]
zijn als controlemiddel ter verificatie van het eerste bewijsmiddel en/of ter falsificatie van een eventueel alternatief scenario.” [9]
NJ2012/251 had het hof diens oordeel dat de bewijsminimumregel niet was geschonden onder meer doen steunen op dagboekaantekeningen van de alleenstaande getuige. [10] De Hoge Raad achtte het oordeel dat voldoende steunbewijs aanwezig was, juist, maar liet in het midden of de dagboekaantekeningen aan dat oordeel bijdroegen. Het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158 wijst voorzichtig in de richting dat dergelijke notities van de getuige zelf voor de vraag of voldoende steunbewijs bestaat in beginsel niet van belang zijn. Net als mijn ambtgenoot Hofstee was de Hoge Raad van oordeel dat in casu voldoende steunbewijs bestond. De A-G had die steun echter onder meer gevonden in aantekeningen uit een schrijfblokje van de aangeefster. De Hoge Raad verwees in zijn arrest naar de motivering van het hof, maar liet daaruit weg dat ook het hof het schrijfblok van de aangeefster van belang had geacht voor het oordeel dat het voorschrift van art. 342, tweede lid, Sv aan een veroordeling niet in de weg stond. [11]
derde middelklaagt dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat ten aanzien van de bewezenverklaarde oplichtingen sprake is van een 'samenweefsel van verdichtselen' en/of van 'bewegen tot' in de zin van art. 326, eerste lid, Sr, althans dat het hof het daartoe strekkende verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
“Feiten 4, 5, 7, 8 en 9: 'bewegen tot...'
bewogen tothet verrichten van de door de verdachte verlangde prestatie. De Hoge Raad beoordeelt dan bijvoorbeeld niet of uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat sprake is van een ‘samenweefsel van verdichtsels’, maar of het slachtoffer ‘
dooreen samenweefsel van verdichtsels
is bewogen’. [14] Gevolg daarvan is onder meer dat de betekenis van de bestanddelen ‘listige kunstgrepen’, een ‘samenweefsel van verdichtsels’, respectievelijk een ‘valse hoedanigheid’ niet alleen afhankelijk is van de kwaliteit en kwantiteit van de leugenachtigheden, maar ook onder meer wordt bepaald door de persoonlijke kenmerken van het slachtoffer. [15]
“in de kern”om gaat. Die ‘kernen’ hebben met elkaar gemeen dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan en wil roepen. Het ‘bewegen tot’ brengt daarentegen een vereiste van causaal verband tot uitdrukking:
zonderde door de verdachte gerealiseerde onjuiste voorstelling van zaken het slachtoffer
ookzou zijn bewogen tot het verrichten van de door de verdachte verlangde prestaties laat zich aan de hand van de aangifte doorgaans gemakkelijk negatief beantwoorden. Dit pleit prima facie voor het aannemen van een causaal verband. Indien echter een hoge mate van naïviteit of onvoorzichtigheid het slachtoffer (mede) aanleiding hebben gegeven de verdachte op zijn woord te geloven, moet het door de verdachte bewerkstelligde resultaat (de afgifte van geld of goed, etc.)
redelijkerwijze worden toegerekendaan (uitsluitend) die naïviteit of onvoorzichtigheid. Kortom, ik begrijp de jurisprudentie van de Hoge Raad aldus dat de psychische causaliteit een sterke normatieve component bevat. Deze jurisprudentie geeft (inderdaad) ruimte om rekening te houden met die gevallen waarin de verdachte welbewust misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van een persoon aan wie vanwege die kwetsbaarheid rechtens bijzondere bescherming toekomt. In dat geval mag eerder worden aangenomen dat de misleiding het (kwetsbare) slachtoffer heeft
bewogente doen wat de verdachte van hem verlangde.
“enkele uit eerdere rechtspraak voortvloeiende min of meer algemene aandachtspunten en beperkingen weer te geven en met elkaar in verband te brengen.” [19]
vierde middelklaagt dat het hof heeft verzuimd de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat in de onderhavige zaak van schakelbewijs geen gebruik zou moeten worden gemaakt.
“Feiten 5, 8 en 9: geen schakelbewijs
Conclusie:
vrijspraak feiten 5, 8 en 9: onvoldoende wettig bewijs”
onderdeelvan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging waarop niet tot in detail hoefde te worden gereageerd; (ii) dat door vier verschillende slachtoffers aangifte van oplichting is gedaan; (iii) dat deze benadeelden in hun voor de verdachte belastende verklaringen tijdens hun verhoor door de rechter-commissaris persisteerden; (iv) dat de verklaringen van [betrokkene 4] (bewijsmiddelen 7 en 8) niet alleen steun vinden in het gebruik van schakelbewijs, maar ook rechtstreeks in de aangifte van [betrokkene 3] , die over de oplichting van [betrokkene 4] uit eigen waarneming kon verklaren (bewijsmiddel 5); (v) dat het contact van de verdachte met aangever [betrokkene 2] bevestiging vindt in de tot het bewijs gebezigde business card van de verdachte (bewijsmiddel 3) en het contact met aangever [betrokkene 3] blijkt uit een handgeschreven notitie van de hand van de verdachte die eveneens onder de bewijsmiddelen is opgenomen (bewijsmiddel 6), en (vi) dat de verdediging weliswaar heeft gesteld dat eenieder met
“malafide beweegredenen”aangifte kon doen en daarbij de handelwijze van de verdachte had kunnen beschrijven omdat deze via internet bekend was geworden, maar niets is aangevoerd waaruit aannemelijk wordt dat dergelijke motieven voor de aangevers daadwerkelijk bestonden en/of dat de afgelegde verklaringen inhoudelijk onjuist waren. Gelet hierop was het hof – ook in het licht van het bepaalde in art. 359, tweede lid, Sv – niet gehouden tot een nadere motivering van het oordeel dat van schakelbewijs gebruik kon worden gemaakt.