Conclusie
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, vernietigd, de verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde en de teruggave gelast van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven wapen (luchtgeweer, Benjamin Marauder). [1]
middelklaagt dat het hof, door de verdachte vrij te spreken, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, zulks doordat het een onjuiste, want te stringente maatstaf heeft aangelegd ten aanzien van de vraag of sprake is van een ‘sprekende gelijkenis’ als bedoeld in art. 3 aanhef Pro en onder a van de Regeling wapens en munitie, dan wel dat ‘s hofs oordeel zonder nadere ontbrekende motivering niet zonder meer begrijpelijk is, nu het de keuze voor de aangelegde maatstaf in het geheel niet heeft gemotiveerd.
hij op of omstreeks 9 december 2009 te Amsterdam en/of te Schiphol (Haarlemmermeer), in elk geval in Nederland een wapen van categorie I onder 7°, te weten een (luchtdruk) geweer (merk Benjamin Marauder), zijnde een voorwerp die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (kogelgeweer), heeft doen binnenkomen vanuit de Verenigde Staten (USA).”
Vrijspraak
Is sprake van een (vrijwel) exacte kopie van één bepaald merk en model?
Is dit het geval, dan moeten het merk en het model vuurwapen worden benoemd en kan het wapen onder categorie I, sub 7° van artikel 2, eerste lid van de Wet wapens en munitie worden geplaatst.
Als geen sprake is van een kopie kan worden gekeken of het gaat om een bewuste nabootsing van een vuurwapen zonder dat de maker hierbij één bepaald merk en model voor ogen heeft gestaan. Dit kan worden gedaan door het aantonen van niet-functionele onderdelen die de kennelijke bedoeling hebben om het wapen het uiterlijk van een vuurwapen te geven. Voorbeelden van niet-functionele onderdelen zijn een uitsparing in het huis van een luchtdrukgeweer, die een hulsuitwerpvenster moet voorstellen, een pseudo-vuurselector en een pseudo-patroonhouder.
1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.
Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:
voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen;
voorwerpen vermeld op lijst a of lijst b van de bij deze regeling behorende bijlage I, alsmede niet in die bijlage genoemde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen daarmee een sprekende gelijkenis vertonen;” [2]
behoudens zulke door Onze Minister overeenkomstig categorie I, sub 7°, aangewezen die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.” In art. 3, sub a en b RWM zijn als zodanig aangewezen de voorwerpen die op een tweetal lijsten staan vermeld en de voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens (of met de op de lijsten genoemde voorwerpen).
gemengde” benadering), in de woorden van de deskundige:
abstracte” benadering.
gemengde” benadering, zou ‘s hofs oordeel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts heeft het hof volgens de steller van het middel verzuimd aan te geven waarom het de benadering van de advocaat-generaal niet heeft gevolgd, als gevolg waarvan het oordeel ook ontoereikend zou zijn gemotiveerd.
een sprekende gelijkenis[heeft]
met en het uiterlijk van een klein kaliber sportgeweer, bolt action, kaliber .22LR. Gelet op deze overeenkomst is dit luchtdrukgeweer voor bedreiging en/of afdreiging geschikt.”
gemengd” toetsingskader, geoordeeld dat het inbeslaggenomen wapen geen sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen.
dus” niet te volgen in de door hem voorgestane abstracte benadering. Ofschoon het hof dat niet letterlijk tot uitdrukking heeft gebracht, vat ik zijn oordeel zo op dat het hof uitsluitend én in volle omvang het omschreven ‘gemengde’ toetsingskader tot uitgangspunt heeft genomen. Het hof heeft de verdachte vervolgens vrijgesproken. Tegen deze vrijspraak heeft het Openbaar Ministerie het onderhavige beroep in cassatie ingesteld.
idealerechter (zeer) waarschijnlijk brengt. De ideale rechter is in dit verband een rechter die volledig en nauwkeurig op de hoogte is van de stand van het recht. Kortom, indien de herzieningsrechter bij de beoordeling van een herzieningsverzoek van oordeel zou zijn dat in de als nova gepresenteerde deskundigeninzichten de toepassing van een
onjuist toetsingskader ligt besloten, moet worden aangenomen dat deze deskundigeninzichten de modelrechter
nietkunnen brengen tot een andere uitkomst van de strafzaak. Indien ik dit goed zie, kan een deskundigeninzicht dat gebaseerd is op een onjuiste, namelijk een niet-relevante toets, dientengevolge niet gelden als novum. Hieruit vloeit voort dat de Hoge Raad door het herzieningsverzoek toe te wijzen te kennen heeft gegeven dat aan de als nova aangedragen deskundigeninzichten voldoende gewicht toekomt en dat het ‘gemengde’ toetsingskader in dit verband (dus) de juiste maatstaf vormt.
het (…) er sterk op[lijkt]
dat daarin thans een vaste lijn in rechtspraak is ontwikkeld en dat het voorliggende luchtdrukgeweer door het Hof Amsterdam niet langer als een wapen van categorie I onder 7° WWM wordt aangemerkt.”
na cassatieis teruggewezen of verwezen opnieuw recht moeten doen doch met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad (als cassatierechter), [14] het gerechtshof waarnaar
na herzieningis verwezen is daarentegen niet gebonden aan het novum dat de Hoge Raad (als herzieningsrechter) heeft aangenomen. [15] Na herziening dient de feitenrechter de zaak dan ook in volle omvang te onderzoeken aan de hand van de vragen van artikel 348 en Pro 350 Sv. [16] Nieuw bewijsmateriaal kan bij het onderzoek worden betrokken. [17] In feite treedt het hof na verwijzing op als een appelrechter. [18]
Stb.1919, 474), werden regels gesteld omtrent de invoer, uitvoer, doorvoer en vervoer van vuurwapens en munitie. Later is de Vuurwapenwet 1919 verscheidene keren gewijzigd, het meest ingrijpend door de Wet van 8 juli 1932,
Stb. 1932, 345. Deze wetswijziging leidde er onder meer toe dat onder vuurwapenen geschaard werden “
alarmpistolen en andere soortgelijke voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen.” De achtergrond van deze uitbreiding was dat bepaalde voorwerpen steeds meer gingen gelijken op gewone vuurwapens en “
betrekkelijk zonder veel moeite of technische vaardigheid” in gewone revolvers konden worden veranderd. Daarnaast konden zij “
worden gebruikt voor afdreiging en gewelddadig optreden, terwijl de bedreiging met een dergelijk voorwerp aanleiding kan geven tot een noodzakelijk gemeende zelfverdediging met noodlottige gevolgen voor hem, die het voorwerp gebruikte.” [26] De minister heeft daarbij nog opgemerkt dat het geluid ook relevant kan zijn voor de afdreiging en dat hij niet voorzag dat onduidelijkheid ontstond met de in art. 318 Sr Pro gestelde afdreiging, waarin het niet ging om dreiging met geweld. [27]
Wet tot wering van ongewenste handwapenen” had ten doel om “
gevaarlijke en nutteloze wapenen zoveel mogelijk uit ons land te weren.” [28] Bij algemene maatregel van bestuur konden vervolgens (onderdelen van) handwapenen worden aangewezen, ten aanzien waarvan een verbod gold voor het voorhanden hebben, invoeren, vervaardigen of afleveren. Met deze wetgeving werd voornamelijk getracht om stilleto’s uit te bannen. Bij de parlementaire behandeling zijn vragen gerezen of ook luchtdrukwapens en gevaarlijke speelgoedwapens onder de reikwijdte van de wet moesten vallen. Zo stelde de vaste commissie voor Justitie dat ook die voorwerpen als een gevaarlijk voorwerp moesten worden beschouwd. [29] De minister achtte een uitbreiding van de wet op dit punt echter niet aangewezen. [30] Daartoe werden verschillende argumenten aangevoerd. De minister benadrukte dat een uitbreiding van de wet enkel verdedigbaar is voor wapens die geen maatschappelijk aanvaardbaar doel hebben. Nu luchtdrukwapens dienen tot de beoefening van de schietsport, zou een uitbreiding van de wet de invoering van speciale ontheffingsgronden meebrengen. Daarin kon het normale gebruik van een luchtdrukwapen worden gereguleerd, welke regulering vervolgens met richtlijnen nader zou moeten worden ingevuld. Deze omslachtige juridisering werd door de minister echter als onwenselijk beschouwd. Voorts zette de minister op basis van statistieken vraagtekens bij het daadwerkelijke gevaar van de betreffende wapens, terwijl de minister daarnaast weinig reële verwachtingen koesterde over de handhaving van de wet op dit punt. [31] De bestaande wetgeving, waaronder de Wapenwet van 1890, zou reeds voldoen.
bedreiging of afdreiging” geschikt waren. Enkel bij speelgoedwapens maakte de minister een koppeling met dit in art. 1, eerste lid, sub 1 Wapenwet 1919 genoemde criterium. Hierover merkte de minister het volgende op: “
door hun uiterlijke gelijkenis met vuurwapenen[kunnen zij]
gebruikt worden bij roofovervallen en dergelijke criminele handelingen.” In dergelijke gevallen is het volgens de minister te billijken dat deze voorwerpen onder de reikwijdte van de Vuurwapenwet 1919 zijn geschaard en is irrelevant of het voorwerp ook lichamelijk letsel kan opleveren. Aan de wensen van de Tweede Kamer om de wetgeving omtrent (onder meer) luchtdrukwapens nader in te kaderen zou de minister handen en voeten geven bij de hercodificatie van de wapenwetgeving, die (volgens hem) binnen vijf jaren zou plaatsvinden. Uiteindelijk kwam deze wetgeving, onder de naam Wet wapens en munitie (WWM), pas in 1989 tot stand.
andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.” Deze bepaling maakte het mogelijk om namaakwapens als wapens van categorie I aan te wijzen. [34] Onder namaakwapens verstond de minister “
speelgoedwapens, maar ook om de z.g. replica's. Dat zijn voorwerpen, die uiterlijk niet of nauwelijks van een echt wapen te onderscheiden zijn, maar die zo zijn vervaardigd dat zij de essentiële functie van het echte wapen missen. Beide categorieën lenen zich ertoe om voor bedreiging of afdreiging in plaats van echte wapens te worden gebruikt.” [35] In de Regeling wapens en munitie werden de wapens van categorie I nader omschreven. [36] In art. 3 RWM Pro in verbinding met bijlage I werden als voorwerpen van categorie I, die zodanig gelijken op een wapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, aangewezen:
1. Nabootsingen van schietwapens en voor ontploffing bestemde voorwerpen welke door hun vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertonen met bestaande wapens.
Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:
wel (voor wat betreft hun vorm, afmetingen en kleur) een sprekende gelijkenis vertonen” onder de reikwijdte van de aanwijzing. Het ging daarbij, aldus de toelichting, om voorwerpen die “
een slechts gering verschil vertonen ten opzichte van de wél in de bijlage genoemde voorwerpen, als gevolg waarvan deze in de mate waarin zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, dan wel gelijkenis met ’echte’ wapens vertonen, voor de in die bijlage genoemde voorwerpen niet onder doen, eveneens te verbieden. Ten tweede zijn aangewezen voorwerpen die niet in de bijlage zijn genoemd, noch daarmee gelijkenis vertonen, maar die sprekend op bestaande wapens gelijken. Dergelijke nabootsingen van wapens worden aldus eveneens binnen categorie I, onder 7° gebracht.” [40]
De opbouw van artikel 3 is Pro gewijzigd. In onderdeel a is het algemene criterium ‘een sprekende gelijkenis’ opgenomen (het oude onderdeel b), in onderdeel b wordt verwezen naar de lijsten a en b van bijlage II (het oude onderdeel a). Met deze wijziging in opbouw wordt benadrukt dat bij het bepalen of een voorwerp een sprekende gelijkenis vertoont met vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen eerst gebruik moet worden gemaakt van het algemene criterium en pas in tweede instantie van de in bijlage II van de Rwm opgenomen lijsten a en b.
voorwerpen gelijken op vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen in het algemeen en in zoverre voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.”
taakaccenthouders Wet wapens en munitie” een dominante rol spelen bij de toepassing van art. 3 RWM Pro. Rechters vallen veelvuldig terug op deze schriftelijke bescheiden. In bepaalde gevallen lijkt specialistische kennis niet noodzakelijk. Dat doet zich met name voor indien een luchtdrukwapen (waarschijnlijk) voor een overval is of zou worden gebruikt. In dat geval is – zo lijkt het – reeds gegeven dat het wapen voor bedreiging of afdreiging geschikt is. [48] Indien een dergelijke indicatie ontbreekt, verschuift het accent van de reactie die het wapen bij het (potentiële) slachtoffer teweegbrengt naar de beoordeling van de eigenschappen van het wapen zelf door de rechter, waarbij (zoals gezegd) vaak wordt teruggevallen op de specialistische kennis van deskundigen.
concrete benadering” toegepast. Daarbij wordt de vraag gesteld of het onderwerpelijke luchtdrukwapen voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een
specifiekvuurwapen. [49] In sommige gevallen gaat het om een luchtdrukwapen dat voorkwam op lijst b van de RWM. [50]
gemengde” of “
rekkelijke” benadering, is in het thans bestreden arrest gevolgd en vindt zijn oorsprong – als ik het goed zie – in een arrest van het hof Amsterdam van 8 mei 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9977. [51] Het hof Amsterdam heeft dit toetsingskader op zijn beurt ontleend aan een advies van de werkgroep Advies Wet wapens en munitie aan de Dienst Justis van (destijds) het ministerie van Justitie.
abstracte benadering”. Deze benadering heeft navolging gekregen van andere rechters en klinkt bijvoorbeeld door in een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. [53] In het betreffende vonnis werd benadrukt dat de observaties van een “
gemiddeld mens” doorslaggevend zijn, terwijl niet relevant was dat de verdachte, een wapenverzamelaar, luchtdrukwapens van vuurwapens kon onderscheiden. Daarnaast wijs ik op een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarin afstand werd genomen van de gemengde benadering. Het hof zag zich geconfronteerd met tegenstrijdige conclusies van wapendeskundigen. [54] Het hof overwoog dat de ‘gemengde’ benadering een zeer gedetailleerde bestudering vergt van een voorwerp om te kunnen beantwoorden of sprake is van een sprekende gelijkenis met een ‘echt’ wapen. Het hof vervolgt:
Het hof is echter van oordeel dat, gelet op de hiervoor genoemde wetsgeschiedenis, een redelijke rechtstoepassing meebrengt dat details niet van doorslaggevend belang hoeven te zijn bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een sprekende gelijkenis. Het hof acht voorts niet doorslaggevend hoe een deskundige tegen het betreffende voorwerp aankijkt. Het komt naar het oordeel van het hof primair aan op de vraag of de vorm - en in mindere mate de afmetingen - van het voorwerp overeenkomt met die van vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen in het algemeen (cursivering hof). Het hof is van oordeel dat daar in onderhavige zaak aan is voldaan. Daarbij baseert het hof zich met name op een foto van de Dragon Claw die is opgenomen op pagina 12 van voornoemd rapport van Van Driel en die hieronder is weergegeven.
NJ2012/593, waarin de verdachte vervolgd werd voor het beroepsmatig handelen in paintballwapens. Het hof had onder meer overwogen dat bepaalde paintballwapens onder categorie I van de WWM vielen, aangezien zij een sprekende gelijkenis vertoonden met vuurwapens. In cassatie werd onder meer geklaagd dat een wettelijke bepaling ontbrak op grond waarvan het betreffende tenlastegelegde feit strafbaar was. De Hoge Raad oordeelde dat in de overwegingen van het hof besloten ligt dat de in de tenlastelegging genoemde paintballwapens voorwerpen zijn die door de minister zijn aangewezen als bedoeld in art. 3, aanhef en onder a RWM. Aldus had het hof terecht aangenomen dat een (verbindende) wettelijke regeling bestond waarop de strafbaarheid van het tenlastegelegde kan worden gegrond. De klacht dat deze regeling zodanig ondoorzichtig is dat voor de verdachte niet voorzienbaar was dat zijn handelen strafbaar was, kon niet voor het eerst in cassatie worden gedaan, omdat dit een onderzoek van feitelijke aard vergt.
specifiekvuurwapen? – op zichzelf niet ter discussie staat. Indien een dergelijke nabootsing niet kan worden vastgesteld, lopen de benaderingen in de rechtspraak uiteen. Twee benaderingen zijn te onderscheiden. Ofwel wordt onderzocht of sprake is van een gelijkenis met een vuurwapen in het algemeen (de abstracte benadering), ofwel wordt onderzocht of niet-functionele onderdelen zijn toegevoegd aan het luchtdrukwapen (de gemengde/rekkelijke benadering). Geconstateerd moet worden dat de wet (kennelijk) te weinig houvast biedt voor rechtseenheid. Mijn ambtgenoot Hofstee merkte hierover bij de herzieningsaanvraag reeds op dat bij dit type zaken het ‘lex certa’-beginsel op de proef wordt gesteld door het grijze gebied dat bestaat tussen luchtdrukwapens van categorie I en van categorie IV. [56] Illustratief is het oordeel van de rechtbank Amsterdam, dat de wet op dit punt onvoldoende helder achtte en vanwege het ‘lex certa’-beginsel art. 3, onder a RWM onverbindend verklaarde. [57] Bij die uitspraak kunnen de nodige kanttekeningen worden geplaatst, [58] maar zonneklaar is dat ‘incerta’ tot een onwenselijke tweedeling heeft geleid in de feitenrechtspraak.
Bepalend[voor de categorisering onder art. 3, sub a RWM, D.A.]
is of de voorwerpen gelijken op vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen in het algemeen en in zoverre voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.” Op grond hiervan zou een voorwerp onder categorie I vallen indien dit wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen in het algemeen. Ik meen thans echter dat de betreffende passage anders moet worden begrepen. Tot 2001 diende voor de categorisering van luchtdrukwapens eerst onderzocht te worden of voorwerpen op de in de bijlage bij de RWM behorende lijst waren vermeld, alsmede de “
niet in die bijlage genoemde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm, afmetingen of kleur daarmee een sprekende gelijkenis vertonen”. Onder b werd vervolgens genoemd de “
voorwerpen die voor wat betreft hun vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen”. In 2001 zijn deze stappen verwisseld, waarmee, zo wordt in de toelichting op de regeling geschreven, het
algemenecriterium voorop is gesteld. Algemeen in de zin van: een sprekende gelijkenis vertonen met (niet op een lijst specifiek genoemde) vuurwapens, en dus niet met specifiek op een lijst genoemde wapens. Het laatstgenoemde, bijzondere, criterium, wordt pas onder b genoemd. De verwijzing naar de vraag of voorwerpen in het
algemeenen in zoverre voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, moet dan ook worden opgevat als een verwijzing naar het anders ingestoken toetsingskader. Een uitwerking van de term ‘sprekende gelijkenis’ lijkt daarmee niet te zijn beoogd.
gering verschil”. Dit sluit taalkundig beter aan bij de vereiste sprekende gelijkenis. Ik wijs hierbij ook op de toelichting die in Vermande wordt gegeven op de term ‘sprekende gelijkenis’. Daarin wordt gesteld dat “
het moet gaan om een nagenoeg perfecte nabootsing van een bestaand vuurwapen” en dat “
[e]en beperkte overeenkomst […] dus onvoldoende” is. [59]