Uitspraak
I.Procesgang
Naar aanleiding van het op 26 juni 2012 uitgesproken tussenarrest heeft de advocaat-generaal een schriftelijke aanvulling op zijn vordering overgelegd. In deze aanvulling wordt geconcludeerd dat, blijkens navraag bij de drie vrouwelijke verdachten, de vordering tot herziening niet tegen de wil van deze veroordeelden ingaat.
novum, dat het ernstige vermoeden ontstaat dat, indien dit gegeven destijds bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak tot een andere uitspraak zou hebben geleid.
Het is derhalve aan de rechter naar wie de zaak wordt verwezen de zaak opnieuw te onderzoeken en vervolgens hetzij de veroordeling te handhaven, hetzij alsnog vrij te spreken’.
Voldoende is dat het “ernstige vermoeden” rijst dat de rechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Zekerheid hoeft daarover dus geenszins te bestaan.’(Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, pag. 27).
‘de zaak opnieuw te onderzoeken en vervolgens hetzij de veroordeling te handhaven, hetzij alsnog vrij te spreken’enkel artikel 472, tweede lid, sub b, van het Wetboek van Strafvordering (vrijspraak) is benoemd, luidt het dictum van het verwijzende arrest van de Hoge Raad – voor zover hier van belang – dat de zaak op de voet van artikel 472, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zal worden behandeld en afgedaan. Ingevolge dit tweede lid van voormeld artikel is de onderzoeksopdracht aan het hof niet slechts beperkt tot de mogelijkheid van vrijspraak, doch dient het hof te onderzoeken of de onherroepelijke uitspraak hetzij dient te worden gehandhaafd, hetzij met vernietiging daarvan a) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, b) de verdachte vrij te spreken, c) als niet-strafbaar te ontslaan van alle rechtsvervolging, of d) de verdachte opnieuw te veroordelen met toepassing van de minder zware strafbepaling of met oplegging van een lagere straf. Het dictum van het arrest betreft aldus, in tegenstelling tot het vermelde in rechtsoverweging 5.10, een ongeclausuleerde verwijzing.
- het eerste en tweede opsporingsonderzoek van de politie: [naam opsporingsonderzoek 1] en [naam opsporingsonderzoek 2];
- de stukken met betrekking tot de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis van de verdachten;
- de stukken met betrekking tot het gerechtelijk vooronderzoek;
- het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van de arrondissementsrechtbank te Breda;
- het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch;
- het aanvullend forensisch-technisch onderzoek tussen 2008 en 2012;
- het evaluatieonderzoek van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) tussen 2010 en 2011, en
- het onderzoek ter terechtzitting door het gerechtshof Den Haag in herziening.
novumals de grond voor herziening in deze zaken betreft een feitelijke omstandigheid, namelijk de omstandigheid dat twee getuigen verklaringen hebben afgelegd, die – kort en zakelijk weergegeven – inhouden dat zij vanuit het bushokje waar zij zich bevonden, zicht hadden op de plaats-delict en in de betreffende nacht van 3 op 4 juli 1993 niets bijzonders hadden gezien. Deze verklaringen van de zogenoemde “bushokjesgetuigen” [“bushokjesgetuige 1”]en [“bushokjesgetuige 2”] werden in 1993 opgenomen tijdens een zogenaamd buurtonderzoek dat deel uitmaakte van het eerste opsporingsonderzoek ([naam opsporingsonderzoek 1]), en behoorden tot stukken die – zoals blijkt uit het rapport van het evaluatieteam CEAS – wel te vinden waren in het bij de politie behouden dossier (het “politiedossier”) doch die niet door de politie aan het openbaar ministerie waren gezonden (het “justitiedossier”) en mitsdien ook niet aan de rechtbank en het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch waren voorgelegd.
II.Formele verweren
a priori) bepaalde bevindingen (bijvoorbeeld de resultaten van verricht onderzoek naar DNA-sporen) bekend zijn, of erna (
a posteriori). De regel van Bayes geeft derhalve aan hoe de verhouding van de waarschijnlijkheden van de betreffende hypotheses verandert door de bevinding.
a posteriorikansverhouding met betrekking tot het door hem opgestelde schuldscenario (inhoudende dat één of meer van de verdachten bij het misdrijf is of zijn betrokken) 532 tegen 1 is. De kans op het onschuldscenario (inhoudende dat geen van de verdachten bij het misdrijf is betrokken) is volgens [deskundige 1] maximaal 0,2%.
NJ1998, 404, “Schoenmakersarrest”).
a priori) kansen van de bevindingen (betrouwbaar) kunnen worden vastgesteld dan wel ingeschat en welke expertise voor die vaststelling dan wel inschatting noodzakelijk is. Dit brengt het hof tot het oordeel dat de betrouwbaarheid van voormelde methode en daarmee van de uit het gebruik van de methode voortvloeiende uitkomsten, naar de huidige stand van de wetenschap te onzeker is voor daadwerkelijke toepassing in een complexe strafzaak als de onderhavige.
III.Verklaringen van de vrouwelijke verdachten
.Bij dupliek is aangevoerd dat [verdachte 5] door een misleidende verhoorwijze aan haar jeugd werd herinnerd, hetgeen haar tot haar verklaringen zoals afgelegd bracht.
eersteverhoor als verdachte op 11 april 1994 om 08.10 uur heeft [verdachte 5] belastend verklaard over [verdachte 3], [verdachte 2] en [verdachte 1] op de plaats-delict en geeft zij aan dat zij hen op 5 juli 1993 in het pand aan de Teteringsedijk 92 te Breda heeft gezien, bij welke gelegenheid haar is gevraagd wat zij wist van de moord op [slachtoffer] en wat zij had gezien. Zij is toen door [verdachte 2] bedreigd en haar is gezegd dat zij tegenover de politie een verhaal moest ophangen. Zij herkent op de haar getoonde foto’s [verdachte 3] en [verdachte 2]. [12]
verbatimweergave van zijn interview tegenover de CEAS-interviewers opmerkingen heeft gemaakt over de wijze waarop hij werd bevraagd over de situationele aspecten van de verhoren, welke opmerkingen niet zijn neergelegd in de schriftelijke rapportage. [43]
tweedeverhoor op 28 april 1994 verklaart zij dat zij wel iets weet, namelijk dat zij op de avond van het ten laste gelegde feit bij [getuige A] aan de Teteringsedijk 92 te Breda was en dat daar ook waren [verdachte 3] en [verdachte 1] die later in die nacht thuis kwamen en zeiden dat een overval op een Chinees mislukt was. [58]
- Hetgeen [verdachte 5] in de procedure in herziening verklaard over veelvuldige en lange verhoren van meerdere malen per dag, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in de stukken en is ook overigens in het onderzoek in de procedure in herziening niet aannemelijk geworden;
- [verdachte 5] heeft in de drie keren dat zij voor een rechter stond, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, niet verklaard over situationele en persoonlijke omstandigheden die zouden hebben geleid tot haar bekennende en belastende verklaringen;
- [verdachte 5] kan desgevraagd in de procedure in herziening niet aangeven hoe het er in het buurtonderzoek aan toe ging, weet niet wat zij bedoelde met haar woorden “verkeerde verklaringen”, en kan geen reden geven voor haar late terugkomen op haar belastende en bekennende verklaringen;
- [verdachte 5] heeft in de CEAS-procedure en de procedure in herziening geen nadere redenen gegeven voor het terugkomen op haar verklaringen en voor de omstandigheid dat zij dat destijds nimmer, wanneer zij voor een rechter stond, heeft gedaan. Naar haar zeggen is het allemaal aan haar voorbijgegaan en kan zij geen uitleg geven waarom zij in haar ogen onjuiste verklaringen heeft afgelegd;
- [verdachte 6] heeft evenals [verdachte 5] in de drie keren dat zij voor een rechter stond waarvan proces-verbaal is opgemaakt, niet verklaard over situationele en persoonlijke omstandigheden die zouden hebben geleid tot haar bekennende en belastende verklaringen;
- [verdachte 6] heeft in de procedure in herziening verklaard dat geen sprake is geweest van stemverheffing en het op tafel slaan door verbalisanten;
- [verdachte 4] heeft tot aan haar veroordeling door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch géén reden van persoonlijke aard opgegeven voor haar eerdere belastende verklaringen, en zij heeft tot dat moment over de situationele aspecten tijdens de verhoren slechts de druk en het voorhouden van verklaringen van anderen door verbalisanten genoemd;
- [verdachte 4] heeft desgevraagd bij gelegenheid van haar CEAS-interview geen nadere reden gegeven voor haar stelling dat zij onder druk heeft verklaard;
- [verdachte 4] heeft geen reden opgegeven voor het ter terechtzitting in eerste aanleg vertellen van haar “quatschverhaal”;
- [verdachte 1] heeft in de procedure in herziening geen nadere reden opgegeven voor zijn late verklaren omtrent druk tijdens de verhoren.
gemiddeldis vanwege “compliance”, en zelfs
laagvanwege suggestibiliteit. [111]
–wordt niet ondersteund door de verklaringen van getuigen over dit feestje, destijds noch bij de raadsheer-commissaris in de procedure in herziening. Uit de getuigenverklaringen met betrekking tot [verdachte 3] komt juist naar voren dat [verdachte 3] die bewuste nacht aanwezig zou zijn geweest op de plaats-delict. Bij dit alles komt nog dat andere voor de verdachten ontlastende getuigenverklaringen, zoals afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris van dit hof, opmerkelijk verschillen van eerdere door deze zelfde getuigen tegenover de politie of de CEAS afgelegde verklaringen en lijken te zijn ingegeven door oneigenlijke motieven, zoals onder andere angst voor de verdachten. Ten aanzien van [verdachte 6] wordt opgemerkt dat door een derde is getracht haar een vals alibi te verschaffen.
IV.Inhoudelijke toetsing van de verklaringen van de vrouwelijke verdachten
nadit tijdstip begaan.
geenDNA- of ander biologisch materiaal op de kleding of het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen. Hieruit volgt dat, nu genoemde gewelddadige dood buiten discussie staat, het als gegeven moet worden beschouwd dat de dader of daders kennelijk grof geweld hebben kunnen uitoefenen op het slachtoffer, zonder dat zij daarbij voor de politie vindbare (dactyloscopische, DNA- of haar-) sporen hebben achtergelaten. Aldus bezien kunnen de uitkomsten van het dactyloscopische, DNA- en haaronderzoek met betrekking tot de kleding van het slachtoffer als belastend noch als ontlastend voor de verdachten worden geduid.