Conclusie
‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod’en
‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige een hem wegens diefstal opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan’tot een gevangenisstraf van elf maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof respectievelijk verbeurd verklaard, de onttrekking aan het verkeer bevolen en de teruggave gelast van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen als in het arrest genoemd. Tot slot gelastte het hof de tenuitvoerlegging van twee gevangenisstraffen, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij de twee vonnissen in het arrest genoemd, van respectievelijk twee weken en zestien dagen.
eerste middelklaagt dat de bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit, althans heeft het hof die bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd, terwijl bovendien het hof aan zijn beslissing feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die het kennelijk mede redengevend acht voor de bewezenverklaring zonder dat hij met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten en omstandigheden heeft aangeduid en (b) het wettig bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.
hij in de periode van 17 september 2013 tot en met 10 december 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen telkens heeft verstrekt aan één of meer personen, te weten onder meer [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hoeveelheden cocaïne en/of heroïne.”
1. Een proces-verbaal met nummer 2013133864, van 8 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 14 en 15).
De raadsman heeft vrijspraak bepleit.
tweede middelklaagt dat (1) het hof de verzoeken tot het oproepen ter terechtzitting van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 6] en [betrokkene 3] ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen. Daarnaast zou (2) het hof de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 6] en [betrokkene 3] in strijd met het ondervragingsrecht hebben gebezigd tot het bewijs.
Met betrekking tot [betrokkene 1] , [betrokkene 6] en [betrokkene 3] doe ik hierbij het (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van deze getuigen, in geval u tot een bewezenverklaring komt en daarbij de eerdere politieverklaring van de betreffende getuige voor het bewijs bezigt. Ten aanzien van [betrokkene 1] omdat hij bij de rechter-commissaris terug is gekomen op zijn eerdere voor cliënt belastende verklaring en het dan van belang is dat u rechtstreeks kennis kunt nemen van de verklaring van deze getuige om op basis daarvan de betrouwbaarheid van die verklaring te kunnen beoordelen, ook met het oog op de vaststelling dat de eerdere (politie)verklaring van [betrokkene 1] niet overeenkomt met de door de politie gedane observatie, en ten aanzien van [betrokkene 6] en [betrokkene 3] omdat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen, geen afstand heeft gedaan van deze getuigen, en de verdediging deze getuigen nadere vragen wenst te stellen over die eerdere voor cliënt belastende verklaringen. De verdediging wenst hen onder meer te vragen of zij cliënt kennen, waarvan zij hem kennen, of zij hem in verband brengen met drugshandel, of zij wel eens wat hem gekocht hebben, zo ja, wanneer dat is geweest, en zo ja gedurende welke periode dat is geweest.
“Voorwaardelijk verzoek zaak A, parketnummer 13-738106-13
“2.76.
Betrouwbaarheid getuige
Nadere beschouwing
derde middelklaagt dat het hof niet (voldoende) heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging, te weten dat er geen sprake is van stemherkenning van de verdachte, terwijl bovendien het gerechtshof aan zijn afwijkende beslissing feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die het kennelijk mede redengevend acht voor de bewezenverklaring zonder dat hij met voldoende nauwkeurigheid de redengevende feiten en omstandigheden heeft aangeduid en verzuimd heeft het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend.
Dat cliënt de genoemde " [betrokkene 7]" is, wordt niet gebaseerd op een stemherkenning. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 11] hebben enkel gesteld dat zij in bepaalde telefoongesprekken één en dezelfde persoon horen die zij de naam " [betrokkene 7]" hebben gegeven maar hebben uitdrukkelijk nergens verklaard dat de stem van " [betrokkene 7]" overeenkomt met de stem van cliënt.
Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de stemherkenningen die zijn gedaan door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 11] . Deze zijn gedaan op basis van het door hen beluisteren van vele tapgesprekken in het onderzoek waarmee zij zich gedurende drie maanden hebben beziggehouden. Beide verbalisanten zijn bij de rechter-commissaris uitvoerig bevraagd over de stemherkenningen van de verdachte en de wijze waarop die herkenning tot stand is gekomen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat het hem om een 100% herkenning ging. Ook verbalisant [verbalisant 11] heeft tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat het wat hem betreft een 100% herkenning was of niet. Hij lette bij de herkenning op dingen als klank, intonatie, volume, taalgebruik en bepaalde lachjes. Het hof is van oordeel, dat mede gelet op de duur van het onderzoek in combinatie met de wijze waarop de herkenningen tot stand zijn gekomen, de verbalisanten tot de slotsom hebben kunnen komen dat zij de stem van de verdachte op de betreffende tapgesprekken, waaronder op het telefoonnummer eindigend op * [0001] , herkenden.
stemherkenning’inzake het eerste middel besprak.
vierde middelklaagt dat het hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd de redenen op te geven die hebben geleid tot de keuze voor een vrijheidsbenemende straf voor de verdachte, althans dat hij dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
Bij bepaling van de strafmaat verzoek ik u - indien u tot een bewezenverklaring komt - rekening te houden met het aandeel van cliënt in de bewezen verklaarde feiten. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat degene waarvoor men cliënt houdt in opdracht van één of meer anderen dealt. Het onderzoeksteam heeft de indruk dat de persoon waarvoor men cliënt houdt hand- en spandiensten voor anderen verricht, en dat hij wordt aangestuurd. Hieruit volgt dat zijn rol in het geheel een ondergeschikte is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
vijfdeen
zesde middelklagen over het oordeel van het hof dat de voorwerpen als in het arrest voornoemd vatbaar zijn voor respectievelijk onttrekking aan het verkeer en verbeurdverklaring.
Het inbeslaggenomen goed onder nummer 12 dient te worden onttrokken aan het verkeer, de inbeslaggenomen telefoon dient te worden verbeurdverklaard, de inbeslaggenomen sleutel dient te worden onttrokken aan het verkeer net als nummer 15 op de beslaglijst, en de inbeslaggenomen goederen onder de nummers 16 en 17 dienen te worden verbeurdverklaard.”
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
“conform vonnis RB”beslist.
Het in de zaak met parketnummer 13-738106-13 onder 1 en in de zaak met parketnummer 13-741258-14 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan of voorbereid met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - zaktelefoon (466229); - zaktelefoon (4662977); - zaktelefoon (4662318); - zaktelefoon (4662310); - zaktelefoon (4662316); - zaktelefoon (4662287); - geld (4736613); - geld (4662171).
vijfde middelklaagt dat het hof ten onrechte de onttrekking aan het verkeer van de voornoemde voorwerpen heeft bevolen. Ingevolge art. 36c Sr is voor de toepassing van de maatregel van onttrekking aan het verkeer een noodzakelijke voorwaarde dat het desbetreffende voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daaruit volgt dat het bij onttrekking moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard in strijd is met de wet of het algemeen belang. [12]
hulp”) van deze voorwerpen aan het begaan van de strafbare feiten is echter niet gezegd dat die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Het oordeel van het hof dat de genoemde voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer op grond van art. 36c Sr geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom de genoemde voorwerpen zouden moeten worden onttrokken aan het verkeer. Van die voorwerpen kan, bij normaal gebruik, niet gezegd worden dat hun aard zodanig is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
zesde middelklaagt over het oordeel van het hof dat de voorwerpen als in het arrest genoemd vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. “
Dat (al) de in beslag genomen telefoons in verband stonden met de strafbare feiten volgt niet uit het arrest noch de aanvulling daarop”, aldus de steller van het middel.