ECLI:NL:HR:2005:AR7626
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Onmogelijk tot onttrekking aan het verkeer van wettig betaalmiddel ongeacht criminele herkomst
In deze zaak stond de vraag centraal of geld, dat vermoedelijk afkomstig is uit criminele activiteiten zoals drugshandel, kan worden onttrokken aan het verkeer. De officier van justitie had een vordering tot onttrekking aan het verkeer van een in beslag genomen geldbedrag ingediend, omdat het geld 'besmet' zou zijn en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd zou zijn met de wet en het algemeen belang.
De rechtbank had de vordering afgewezen, stellende dat geld als wettig betaalmiddel naar zijn aard niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de aard van geld niet verandert door de herkomst of bestemming. De wettelijke voorwaarde voor onttrekking aan het verkeer vereist dat het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, hetgeen niet geldt voor geld.
De Hoge Raad verwees ook naar de wetsgeschiedenis en andere wettelijke regelingen zoals die voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en strafbaarstelling van witwassen, waaruit blijkt dat de wetgever niet heeft beoogd geld vatbaar te maken voor onttrekking aan het verkeer. Het beroep van de officier van justitie werd daarom verworpen, waarmee de beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat geld niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.