Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste subonderdeel(onder 1.2) dat de arresten van 29 januari 2013, 21 mei 2013 en 4 maart 2014 niet alleen de ‘vorm’ van een verstekarrest hebben, maar dat in ‘wezen’ ook zijn omdat het hof de procedure in zijn arresten en op de rol ook als een verstekprocedure heeft behandeld.
tweede subonderdeel(onder 1.3) rechtvaardigt de enkele constatering van het hof dat het griffierecht alsnog is voldaan niet dat sprake is van op tegenspraak gewezen arresten en heeft het hof zijn oordeel aldus onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
onderdelen 2 en 3ligt de klacht ten grondslag dat er in de onderhavige zaak sprake is van een (apparaats)fout van het hof, waardoor [eisers] op het verkeerde been zijn gezet en het verkeerde rechtsmiddel hebben ingesteld, als gevolg waarvan hun recht op toegang tot de rechter, dat besloten ligt in art. 6 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in de kern is aangetast.
onderdeel 2wordt voorop gesteld (onder 2.1) dat het hof zelf in zijn arresten van 21 oktober 2014 en 10 maart 2015 heeft vastgesteld dat zijn eerdere beoordeling dat [eisers] niet waren verschenen, onjuist was en wordt vervolgens geklaagd (onder 2.2) dat het oordeel dat [eisers] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij het verkeerde rechtsmiddel hebben ingesteld, onjuist is omdat het strijdig is met het recht op toegang tot de rechter en het vertrouwensbeginsel. In de schriftelijke toelichting wordt betoogd [eisers] alsnog ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzet.
subonderdeel 3.1wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat in dit geval art. 340 Rv Pro wel degelijk analoog kan worden toegepast. Die analoge toepassing brengt volgens [eisers] mee dat een nieuwe (of verlengde) cassatietermijn is aangevangen nadat [eisers] niet-ontvankelijk zijn verklaard in het verzet [4] . Op grond daarvan bepleit het onderdeel dat [eisers] ontvankelijk moeten worden verklaard in hun cassatieberoep tegen de arresten van 29 januari 2013, 21 mei 2013 en 4 maart 2014.
subonderdeel 3.3is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door [eisers] als niet-verschenen aan te merken en door te miskennen dat mr. Hennissen is geschrapt van het tableau, waardoor de procedure op de voet van art. 226 lid 1 Rv Pro van rechtswege was geschorst. Indien het hof hieraan voorbij is gegaan op de grond dat [eisers] niet zijn benadeeld door het niet stilleggen van de procedure, is dit oordeel volgens [eisers] onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Homoeo Pharma/Iso-Werk [11] ,geoordeeld dat verzet ook is uitgesloten in de situatie dat de rechter de zuivering van het verstek door gedaagde over het hoofd heeft gezien en er bij het wijzen van het vonnis ten onrechte van uit is gegaan dat de gedaagde niet was verschenen. In rechtsoverweging 3.2 van het arrest werd het volgende overwogen:
Onderdeel 3.1slaagt in zoverre.