In deze zaak staat een pachtgeschil centraal tussen eiser en zijn broers en zuster. Eiser was in hoger beroep gegaan tegen vonnissen van de rechtbank Roermond, maar het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde hem niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn van één maand. Eiser voerde aan dat hij niet tijdig wist van het vonnis omdat zijn gemachtigde pas na de termijn vernomen had dat het vonnis op een eerdere datum dan aangekondigd was gewezen.
Het hof oordeelde dat eiser en zijn gemachtigde de termijn hadden moeten bewaken, ook al was het vonnis vervroegd. De Hoge Raad stelt echter dat de griffie een apparatsfout heeft gemaakt door de gemachtigde niet tijdig te informeren en dat de gemachtigde geen toegang had tot het elektronische roljournaal, waardoor het onredelijk was om van hem te verlangen dat hij wekelijks navraag deed.
De Hoge Raad aanvaardt een uitzondering op de strikte handhaving van beroepstermijnen bij fouten van de griffie en vernietigt het arrest van het hof. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling. Verweerders worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.