Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
sui generis: een eigensoortig rechtsgebied waarin beginselen uit andere rechtsgebieden, waar nodig, overeenkomstig kunnen worden toegepast. Het wettelijk tuchtrecht voor beroepsbeoefenaren heeft in de eerste plaats tot doel, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsuitoefening te bevorderen. Het tuchtrecht komt tot gelding in een tuchtprocedure waarin, in het algemeen naar aanleiding van een klacht van een belanghebbende, wordt onderzocht of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming met deze norm heeft gehandeld en, zo dit niet het geval is, een maatregel kan worden opgelegd [20] . Om een beroep op art. 6 EVRM Pro te kunnen doen is vereist dat de procedure betrekking heeft op het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen (de civielrechtelijke poot van art. 6 EVRM Pro) dan wel op het vaststellen van de gegrondheid van een strafvervolging (de strafrechtelijke poot van art. 6 EVRM Pro). In het onderhavige geval is er geen geschil over het beëindigen van een notarispraktijk: de oud-notaris had zijn ambt al neergelegd vóórdat de kamer voor het notariaat een beslissing nam. Kan dan toch worden volgehouden dat de procedure bij het hof betrekking had op het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen van de oud-notaris? [21]
Pellegrin v. France[GC], §§ 64-71, the Court had adopted a “
functional” criterion. In its judgment in
Vilho Eskelinen and Others v. Finland[GC], §§ 50-62, it decided to adopt a new approach. The principle is now that there will be a presumption that Article 6 applies, and it will be for the respondent government to demonstrate, firstly, that a civil-servant applicant does not have a right of access to a court under national law and, secondly, that the exclusion of the rights under Article 6 for the civil servant is justified (see § 62 in particular).”
per setegen een overeenkomstige toepassing van de doorbrekings-jurisprudentie: een tendens is dat hetgeen ooit begonnen is als een vorm van rechtspraak in eigen kring (de kring der beroepsgenoten) zich geleidelijk heeft ontwikkeld tot een bij wet geregelde vorm van rechtspraak, in hoger beroep uitgeoefend door een gerecht dat tot de rechterlijke macht behoort. Dan mogen ook eisen worden gesteld aan de kwaliteit van de procedure bij dat gerecht. Daartegenover staat het argument (i) dat uitbreiding van de doorbrekings-jurisprudentie tot notariële tuchtzaken een mogelijkheid tot cassatie schept die de wetgever, blijkens de wetsgeschiedenis, niet heeft gewild. Dat is op zichzelf niet doorslaggevend, want het geldt voor iedere doorbreking van een in de wet opgenomen rechtsmiddelenverbod. Een aanvullend argument zou daarom kunnen zijn (ii) dat het niet gaat om een geval waarin de mogelijkheid van cassatieberoep zou hebben opengestaan ware het niet dat in de wet een uitdrukkelijke uitzondering op die mogelijkheid is opgenomen, maar om een van het burgerlijk procesrecht afgescheiden rechtsgebied, waarbij beslissend is dat de wetgever niet heeft voorzien in de mogelijkheid van cassatie van tuchtrechtelijke beslissingen, genomen op grond van de Wet op het notarisambt. Kortom: geldt in notarieel tuchtrechtelijke zaken een gesloten stelsel van rechtsmiddelen?
lex specialis) zou nodig zijn om voor beslissingen van het gerechtshof Amsterdam in notarieel tuchtrechtelijke zaken een uitzondering op die algemene regel te maken. Een dergelijke bijzondere bepaling is opgenomen in art. 94a lid 1 Wna. Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden echter geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen (art. 94 Grondwet Pro). Op grond van art. 6 lid 1 EVRM Pro en art. 94 Grondwet Pro kan de rechter geen nieuwe rechtsmiddelen (noch bevoegdheden van de cassatierechter) scheppen waar zij niet zijn – dat zou de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan. Wel kan via art. 6 lid 1 EVRM Pro en art. 94 Gw Pro een wettelijke uitzonderingsregel (hier: het rechtsmiddelenverbod in art. 94a Wna) buiten toepassing worden gelaten, in welk geval de hoofdregel herleeft. Zou deze opvatting worden gevolgd, dan kan de doorbrekings-jurisprudentie overeenkomstig worden toegepast in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om de ontzetting uit het ambt van notaris en art. 6 lid 1 EVRM Pro dus van toepassing is [30] . Een redenering als deze kan niet worden gevolgd bij beslissingen van andere organen dan rechtbanken en gerechtshoven (bijv. tuchtcolleges). De beschreven redenering kan ook niet worden gevolgd bij een beroep in cassatie van uitspraken van de bestuursrechter, waar het bepaalde in art. 78 lid 4 Wet Pro RO geldt.
reformatio in peius. Net als in het strafprocesrecht, geldt hier het adagium: ‘appelleren is riskeren’. Hierbij speelt een rol dat, anders dan in de meeste procedures in het burgerlijk procesrecht, de rechter niet slechts de rechtsverhouding tussen de procespartijen onderling vaststelt, maar ook rekening houdt met een algemeen belang, dat van de behoorlijke beroepsuitoefening. In het tuchtrecht voor advocaten is dit niet anders: het Hof van Discipline kan in hoger beroep een zwaardere straf aan de beklaagde advocaat opleggen dan de Raad van Discipline in eerste aanleg had opgelegd [31] .
Stellungnahme zur Berufung”), die niet aan de appellant waren voorgelegd;
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nietvoeren van een bepaald verweer kan berusten op een welbewust gekozen processtrategie: