Uitspraak
22 januari 1999.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een moeder tegen beslissingen van de Rechtbank Amsterdam en het Gerechtshof Amsterdam over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van haar dochter, alsmede over een wrakingsverzoek tegen de kinderrechter.
De moeder had verzocht om opheffing van de ondertoezichtstelling en intrekking van de machtiging tot plaatsing van haar dochter in een pleeggezin, en subsidiair om vervanging van de gezinsvoogdij-instelling en wijziging van de omgangsregeling. De Stichting Interculturele Jeugdzorg Amsterdam verzocht juist om verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
De rechtbank wees het wrakingsverzoek af en verlengde de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De moeder stelde hoger beroep in, maar werd niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen het wrakingsbesluit en het hof bekrachtigde de verlenging. De Hoge Raad oordeelt dat tegen een beslissing op wrakingsverzoek geen zelfstandig hoger beroep openstaat en dat het hof terecht de moeder niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook is het niet onbegrijpelijk dat het hof de niet-verschijning van de moeder bij de mondelinge behandeling heeft meegewogen bij de afwijzing van het verzoek tot vervanging van de gezinsvoogdij-instelling.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de eerdere beslissingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de dochter, evenals de afwijzing van het wrakingsverzoek.