Conclusie
derde middelklaagt over de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, bewezen heeft verklaard dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van misdrijven als omschreven in art. 240b Sr.
vervaardigenen het
verspreidenvolgt de gewoonte zonder meer uit de onder parketnummer 05-861706-13 onder 1 en 2, en de onder parketnummer 05-740033-14 bewezenverklaarde handelingen van verdachte en de daaraan ten grondslag liggende bewijsconstructie. Immers, ‘onder gewoonte pleegt men te verstaan een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan en wel (objectief) wat de aard van de feiten betreft, en (subjectief) wat de psychische gerichtheid van de dader aangaat: de neiging om telkens weer zo’n feit te begaan’. [4] Mijn ambtgenoot Aben heeft over het begrip “gewoonte maken” uit art. 240b Sr opgemerkt dat voor wat betreft de vereiste duur van de periode waarin de herhalingen van feiten optreden niet zonder meer een ondergrens is te geven. Een gewoonte kan zich zelfs hebben gemanifesteerd indien de betreffende handelingen hebben plaatsgehad binnen een tijdsbestek van twee weken. Een hoge frequentie in een korte periode kan eventueel een gewoonte opleveren, terwijl een lage frequentie in een lange periode wellicht nog niet kan worden geduid als een gewoonte. De vastgestelde omstandigheden zijn telkens doorslaggevend. [5]
bezitvan kinderpornografisch materiaal een gewoonte heeft gemaakt kan worden afgeleid uit de hoeveelheid kinderpornografische afbeeldingen en de tijd die gemoeid is geweest met het aanleggen van een verzameling. [6] Mijn ambtgenoot Vellinga heeft in zijn conclusie [7] voor HR 7 december 2010, NJ 2010/678 uiteengezet dat de gewoonte reeds kan bestaan in het bezit van verscheidene kinderpornografische afbeeldingen en/of gegevensdragers met kinderpornografische afbeeldingen, dat de gewoonte ook kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat een verdachte de afbeeldingen stukje bij beetje heeft verzameld en/of dat een verdachte die afbeeldingen niet alleen heeft verzameld maar deze ook heeft geordend. Door zo met zijn bezit bezig te zijn brengt een verdachte dan tot uitdrukking dat hij het voortduren van het bezit heeft geaccentueerd en zo levend heeft gehouden. [8]
tweede middelklaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van het door een feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van de bewezenverklaarde seksuele handelingen met [slachtoffer 2] .
dulden [10] , slaat het de plank mis.
beidemeisjes zich zorgen maakten dat verdachte opnames van de (Skype)chatsessie waarbij zij zich ontkleed hadden op internet zou zetten. Zo bezien is er bij [slachtoffer 2] dus niet slechts dwang tot het plegen van ontucht door een feitelijkheid bewezen (het derde streepje), maar ook dwang door bedreiging met een feitelijkheid. [19]
vierde middelkeert zich tegen de verwerping van het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario.