AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad over verschoonbare termijnoverschrijding in dagvaardingsprocedure pachtzaak
In deze civiele pachtzaak staat centraal de vraag of appellant, die na het verstrijken van de appeltermijn in hoger beroep is gekomen, een beroep kan doen op verschoonbare termijnoverschrijding. De zaak betreft een geschil tussen familieleden over pachtovereenkomsten en onderhoudsverplichtingen van een gepachte hoeve. De pachtkamer van de rechtbank Roermond wees vonnissen op 3 april 2012 en 4 december 2013, waarna appellant op 17 januari 2014 hoger beroep instelde, nadat hij stelde het vonnis pas op 9 januari 2014 te hebben ontvangen. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn en oordeelde dat in dagvaardingsprocedures geen uitzondering geldt voor apparaatsfouten zoals in verzoekschriftprocedures.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of de gemachtigde van appellant, die geen advocaat is, toegang had tot het elektronische roljournaal en of het vonnis tijdig per post is toegezonden. Het hof heeft ook niet vastgesteld of het redelijk was van de gemachtigde te verlangen dat zij na elke roldatum informeerde naar de uitspraak. De Hoge Raad benadrukt dat rechtsmiddeltermijnen strikt moeten worden gehandhaafd, maar dat onder bijzondere omstandigheden, zoals apparaatsfouten, een uitzondering mogelijk is.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de vraag of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van het recht op toegang tot de rechter en de voorwaarden waaronder een termijnoverschrijding in dagvaardingsprocedures kan worden verschoond, met bijzondere aandacht voor de positie van niet-advocaat gemachtigden en het gebruik van het elektronische roljournaal.
Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar verschoonbare termijnoverschrijding.
Voetnoten
1.De feiten zijn ontleend aan rov. 2 van het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Roermond van 3 april 2012. In appel heeft de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, geen feiten vastgesteld en slechts verwezen naar de inhoud van de in eerste aanleg gewezen vonnissen tussen partijen van 3 april 2012 en 4 december 2013.
2.Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg rov. 1 van het vonnis van 3 april 2012 en rov. 7 van het vonnis van 4 december 2013. Zie voor het procesverloop in hoger beroep, rov. 2 van het arrest van 15 april 2014.
3.Door hem aangeduid als: de verpachters.
4.Verweerder in cassatie onder 4 is niet in rechte verschenen.
5.In rov. 5 van dit vonnis verzoekt de pachtkamer alle partijen om te willen bewerkstelligen dat de niet verschenen broer [verweerder 4] , die mogelijk als mede-erfgenaam goederenrechtelijke deelgenoot zal zijn, zo mogelijk op de te gelasten comparitie van partijen aanwezig zal zijn. Bij vonnis van 17 april 2012 heeft de pachtkamer bepaald dat deze comparitie zal plaatsvinden op 11 juni 2012. In rov. 8 van het (eind)vonnis van 4 december 2013 heeft de pachtkamer voor de goede orde de aanwezigheid van broer [verweerder 4] aan de orde gesteld en overwogen dat deze aanwezigheid slechts gegrond is op het bepaalde in het vonnis van 17 april 2012 en dat hierdoor niet ‘automatisch’ sprake kan zijn van zuivering van het verstek. Op de door broer [verweerder 4] ingezonden bescheiden wordt dan ook geen acht geslagen door de pachtkamer, zo wordt overwogen in rov. 8 van het vonnis van 4 december 2013.
6.In pachtzaken bedraagt de appeltermijn één maand na de dag van de uitspraak (art. 1019o lid 2 Rv).
7.Zie ook hierna onder 2.6.
9.Zie ook hierna de onder 2.7 genoemde antwoordakte onder 13-18.
10.De cassatiedagvaarding is op 13 juni 2014 uitgebracht. Titel 16 van boek 3 Rv. bevat geen afwijkende cassatietermijn.
11.Bedoeld zal zijn: beschikking.
12.Verwezen wordt in dit kader naar EHRM 25 januari 2000, zaken 38366/97, 38688/97, 40777/98, 40843/98, 41015/98, 41400/98, 41446/98, 41484/98, 41487/98 en 41509/98, rov. 36 e.v. (Miragall Escolano/Spanje) en naar EHRM 12 november 2002, zaak 46129/99, rov. 46 e.v. (Zvolsky/Tsjechië).
13.Als voorbeeld wordt gewezen op een uitspraak van het Zwitserse Bundesgericht van 20 augustus 1991, BGE 117 la 297 (301).
16.Zie ook de s.t. van partijen.
18.Zie HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894 en mijn conclusie vóór dat arrest onder 2.18-2.20 met verdere verwijzing naar rechtspraak en literatuur. 19.Zie de vorige noot.
22.Vgl. HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465; HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843, NJ 2013/202; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/ 417, rov. 3.4.1 en HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418, rov. 3.4.1. 23.Opgenomen als prod. 1 bij de akte van 18 februari 2014.
24.Opgenomen als prod. 2 bij de akte van 18 februari 2014. Uit de brief van 11 oktober 2013 blijkt dat de gemachtigde van [eiser] op 8 oktober 2013 een rolbericht had ontvangen ( bedoeld is de brief van de griffie van 8 oktober 2013 (prod. 1 bij de akte van 18 februari 2014)) met de mededeling dat de zaak ter rolle was doorgehaald.
25.Opgenomen als prod. 3 bij de akte van 18 februari 2014.
26.Opgenomen als prod. 4 bij de akte van 18 februari 2014.
27.Opgenomen als prod. 5 bij de akte van 18 februari 2014.
28.Een kopie van het vonnis en de begeleidende brief zijn opgenomen als prod. 6 bij de akte van 18 februari 2014.
29.In de cassatiedagvaarding wordt gesteld dat om deze reden in cassatie (bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag) uitgangspunt zal moeten zijn dat de rechtbank het vonnis niet eerder dan op 9 januari 2014 aan de gemachtigde van [eiser] heeft verzonden.
30.Zie bijv. de memorie van toelichting op de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer, TK 2006-2007, 30 815, nr. 3, op p. 4, art. 1.2 onder k van het Landelijke procesreglement voor civiele dagvaardingsprocedures bij de rechtbanken, vierde versie, oktober 2014, art. 1.2 onder n van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, vierde versie, januari 2014 en HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/417, rov. 3.4.2 en A.I.M. van Mierlo en J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg (BP&P nr. 1) 2011/3.1.2. 31.Op mijn verzoek heeft de griffie van de Hoge Raad deze informatie telefonisch verkregen van de griffie van de rechtbank Roermond. Door de griffie van de Hoge Raad is verzocht deze telefonisch verstrekte informatie schriftelijk te ontvangen. Tot heden is echter geen schriftelijk bericht ontvangen van de griffie van de rechtbank Roermond.
32.Zie de stelling van de gemachtigde van [eiser] dat zij “enige tijd geen rolberichten meer ontving” in de akte van 18 februari 2014 onder 3.