ECLI:NL:HR:2013:BY7843

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/00401
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 209 RvArt. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet-dienen van grieven door samenloop van omstandigheden

In deze zaak waren eiser en mede-eisers in hoger beroep gegaan tegen een vonnis van de kantonrechter waarin zij veroordeeld werden tot betaling aan Varde Investments. Tijdens de procedure bij het gerechtshof verklaarde het hof hen niet-ontvankelijk omdat zij niet tijdig grieven hadden ingediend. Eiser stelde in cassatie dat door een samenloop van feitelijke omstandigheden, waaronder het niet ontvangen van een peremptoirstelling en ontoegankelijkheid van het elektronisch roljournaal, zij niet op de hoogte waren van de termijn.

De Hoge Raad nam deze stellingen in cassatie voorshands aan als juist en oordeelde dat het recht op effectieve toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro, in het geding was. Daarom kon het arrest van het hof niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling en beslissing.

De kosten van het cassatiegeding werden gereserveerd, waarbij de kosten aan de zijde van eiser werden begroot op €465,99 aan verschotten en €2.600 aan salaris, en aan de zijde van Varde nihil. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vier raadsheren op 29 maart 2013.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling wegens samenloop van omstandigheden die het tijdig dienen van grieven belemmerden.

Uitspraak

29 maart 2013
Eerste Kamer
12/00401
TT/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. M.W. Eshuis,
t e g e n
VARDE INVESTMENTS (IRELAND) LIMITED,
gevestigd te Dublin, Ierland,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en Varde.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 1048192 DX EXPL 09-278 van de kantonrechter te Amsterdam van 27 mei 2009, 16 september 2009, 2 december 2009 en 15 december 2010;
b. het arrest in de zaak 200.086.891/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 4 oktober 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Varde is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 4 oktober 2011 en tot verwijzing naar dat gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De kantonrechter heeft [eiser] c.s. veroordeeld tot betaling aan Varde van een geldbedrag.
(ii) [Eiser] c.s. zijn van dat vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof. De zaak is op de rol ingeschreven, en heeft op 28 juni, 9 augustus en 6 september 2011 op de rol gestaan voor het nemen van de memorie van grieven.
(iii) Op de rolzitting van 20 september 2011 is akte verleend dat [eiser] c.s. niet tijdig van grieven hebben gediend.
(iv) Het hof heeft in zijn hiervoor genoemde arrest van 4 oktober 2011 [eiser] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep bij gebreke van grieven.
3.2 [Eiser] c.s. voeren aan dat zij door het hof ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard en beroepen zich daartoe op een samenloop van omstandigheden van overwegend feitelijke aard, de redelijke verwachtingen die zij onder deze omstandigheden omtrent het verdere verloop van de procedure mochten koesteren, en hun recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro. Deze samenloop van omstandigheden bestond in de niet-ontvangst van de peremptoirstelling door Varde in de brief van mr. Ouwens van 12 augustus 2011, en het feit dat het elektronisch roljournaal in de desbetreffende periode niet toegankelijk was. De redelijke verwachtingen die zij onder deze omstandigheden omtrent het verdere verloop van de procedure mochten koesteren, berusten op het in het Landelijk Rolreglement vastgelegde rechterlijk beleid in geval geen peremptoirstelling en akte niet-dienen is aangezegd.
3.3 Uitgaande van de hiervoor in 3.1 vermelde feiten en de door het middel geschetste gang van zaken - die voldoende aannemelijk is, gelet op de overgelegde stukken en de ambtshalve door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen - hebben [eiser] c.s. niet eerder dan in cassatie de gelegenheid gehad om aan te voeren dat zij als gevolg van de in het middel genoemde samenloop van omstandigheden niet op de hoogte waren van de peremptoirstelling en het laatste uitstel voor de memorie van grieven op 6 september 2011 tegen de rolzitting van 20 september 2011, zodat in cassatie voorshands van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan.
3.4 Tegen deze achtergrond is het middel gegrond.
De hiervoor in 3.2 weergegeven door [eiser] c.s. gestelde samenloop van omstandigheden - van de juistheid waarvan in cassatie voorshands moet worden uitgegaan - is tegen de achtergrond van het in art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een effectieve toegang tot de civiele rechter van dien aard, dat niet voor hun risico dient te komen dat zij op 20 september 2011 nog niet van grieven hadden gediend.
De stellingen van [eiser] c.s. moeten derhalve op juistheid worden onderzocht, hetgeen betekent dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven. Nu Varde de beslissing van het hof niet heeft uitgelokt of verdedigd, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest het gerechtshof te Amsterdam van 4 oktober 2011;
verwijst het geding naar dat gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing;
reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;
begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van [eiser] c.s. op € 465,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, en aan de zijde van Varde op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 29 maart 2013.