Conclusie
verdachteter terechtzitting van het hof op 10 maart 2009 - zakelijk weergegeven-:
relaas van verbalisanten:
de verklaring van verdachte:
verdachteter terechtzitting van het hof op 10 maart 2009 - zakelijk weergegeven-:
getuige [betrokkene 2], afgelegd tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van de Rechtbank Almelo op 23 januari 2008, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
[betrokkene 2]:
[betrokkene 2]:
[betrokkene 2]:
[betrokkene 2], afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van dit hof op 24 juni 2009, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
[betrokkene 4]:
[betrokkene 4]:
opmerking hof: blijkens de tapgesprekken overigens een uitlating van [betrokkene 3], “E” in de transcriptie van dat gesprek) “ik heb hem niet verluld”. De uitlating “ik heb ‘m elke week netjes geld gegeven” (waarvoor hetzelfde geldt) zou verband houden met een lening die hij bij [verdachte] had afgesloten. Dat er een dergelijke lening was is niet aannemelijk geworden. Maar ook overigens valt deze relativering niet te rijmen met hetgeen hiervoor aan feiten en omstandigheden is besproken.
eerste middel [2] klaagt, mede in het licht van een daartoe strekkend door de verdediging in hoger beroep gevoerd verweer, over de (motivering van de) bewezenverklaring van het onder meer subsidiair tenlastegelegde, nu een bewezenverklaring in strijd is met de bewijsminimumregel als bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv (unus testis, nullus testis) wegens gebrek aan (toereikend) steunbewijs voor de verklaringen van [betrokkene 2] . Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de overige bewijsmiddelen onvoldoende steun geven aan de verklaringen van [betrokkene 2] dat verdachte (als medepleger) betrokken was bij het tenlastegelegde, nu deze bewijsmiddelen “op zichzelf en in onderlinge samenhang niets over de juistheid en waarheid van de verklaring van [betrokkene 2] zeggen”. Voorts is aangevoerd dat alle door het Hof voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen zijn te herleiden tot één bron, [betrokkene 2] , terwijl de strekking van art. 342, tweede lid, Sv noopt tot bijkomend bewijs uit een van die getuige onafhankelijke bron.
tweede middel [8] klaagt over de motivering van de verwerping door het Hof van het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer dat de verklaringen van [betrokkene 2] zodanig onbetrouwbaar zijn dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
derde middelklaagt over de (motivering van de) afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van een zevental getuigen. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het Hof bij de afwijzing van het verzoek een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
“De verzoeken
Oordeel hof
(Voorwaardeliik) verzoek om getuigen te horen