Conclusie
Aeroclub Valkenburg(ACV), gevestigd te Oegstgeest, en
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nr. 16). Het hof heeft dus hetzij de ‘huurobjectvraag’ onbeantwoord gelaten hetzij deze beantwoord aan de hand van een verkeerd beoordelingskader (
nrs. 14 en 18). Voor zover het hof niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is zijn oordeel ondeugdelijk gemotiveerd (
nr. 11).
nr. 21) dat de maatstaf van rov. 5.1 niet bepalend is voor het oordeel of een bepaalde onroerende zaak al dan niet als ‘gebouwd’ in de zin van art. 7:230a BW kan worden aangemerkt. [7] Het hof heeft dat echter niet miskend.
nrs. 8 en 12), onderzocht (a) waarop de overeenkomst naar de bedoeling van partijen zag en (b) of dat (mede) een ‘gebouwde onroerende zaak’ omvat. Vraag (a) wordt geagendeerd in rov. 5.1, wordt in algemene zin beantwoord in rov. 5.3-I [8] en rov. 5.4-5.5 en wordt in het bijzonder voor wat betreft de stallingsruimte beantwoord in rov. 5.6.
nr. 13), dat het object van de huurovereenkomst duidelijk is − te weten de militaire vliegvelden Leeuwarden, Twenthe etc. − zodat aan uitleg van de huurovereenkomst niet wordt toegekomen. Deze klacht houdt kennelijk in dat de rechter de overeenkomst niet anders had kunnen uitleggen dan dat zij zag op het (mede)gebruik van vliegveld Valkenbrug als zodanig, zodat het hof niet kon toekomen aan een nadere specificatie van dat gebruik als bedoeld in rov. 5.3.-I.
klacht II. Die klacht berust op de veronderstelling (a) dat het hof zou hebben gemeend dat het object niet duidelijk genoeg omschreven zou zijn in de huurovereenkomst zodat interpretatie nodig was en klaagt (b) dat het oordeel in dat geval onvoldoende is gemotiveerd, omdat het oordeel dan vooraf gegaan had moeten worden door een expliciete vaststelling dat het object van de huurovereenkomst niet uit de overeenkomst blijkt.
klacht IIIheeft het hof ten onrechte slechts vliegveld Valkenburg in zijn oordeelsvorming betrokken en niet de andere vliegvelden waar de huurovereenkomst ook op ziet en is het niet ingegaan op de stellingen van KNVvL in de aantekeningen van de mondelinge behandeling onder 6 en 7.
nr. 28) berust op een onjuiste lezing van de beschikking. Het hof heeft niet geoordeeld dat de stellingen van KNVvL onvoldoende waren om überhaupt tot de conclusie te kúnnen komen dat art. 7:230a BW van toepassing is (wat m.i. de strekking is van het verwijt dat de klacht het hof maakt). Volgens het hof is hetgeen KNVvL heeft gesteld onvoldoende om inderdaad tot de conclusie te komen dat partijen hebben beoogd een huurovereenkomst als bedoeld in art. 7:230a BW te sluiten. Het hof verwijst daarbij naar de daarop volgende overwegingen waarin de voor de beoordeling relevante kwesties worden behandeld.
klacht Vgetuigt rov. 5.3-II van een onjuiste rechtsopvatting door bij het oordeel dat de landingsbaan geen gebouwde onroerende zaak is, een onderscheid te maken tussen ‘gebouwde’ en ‘aangelegde’ onroerende zaken, terwijl de referte aan de oude Huurwet inmiddels geen stand meer kan houden (
nrs. 31 en 33).
c-28
hin geval van huur van een gebouwde onroerende zaak of een deel daarvan aan de huurder biedt, over naar titel 7.4 van het Burgerlijk Wetboek. De regeling is materieel niet veranderd, behoudens dat de termijn in het eerste lid een enigszins ander karakter heeft gekregen. ”
ongebouwdeonroerende zaak betreft. Met de uitspraak van het hof lijkt de rechtspraak in die zin meer in lijn te zijn gekomen met de - naar onze inschatting - heersende algemene opvatting.”
nietwas aan te merken als ‘onbebouwd’ in de zin van art. 1 lid 1 sub a Huurwet Pro, omdat geen sprake was van onbewerkt land maar van een baan waarvoor ‘bijzondere aanlegwerkzaamheden’ nodig waren. Zie ik het goed, dan laat de rechtbank vervolgens in het midden of
welsprake was van ‘gebouwd’ onroerend goed in de zin van art. 1 lid 3 sub c Huurwet Pro. Het was niet nodig dat te beoordelen, nu de Huurwet volgens de rechtbank geen bepaling bevat waarin haar werkingssfeer wordt beperkt tot verhuur van gebouwd onroerend goed, zoals nader omschreven in art. 1 lid 3 sub c Huurwet Pro. [35]
bijzondereaanlegwerkzaamheden die de door
de huurder beoogde exploitatievan het gehuurde mogelijk maken.