ECLI:NL:HR:2013:CA3733

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 september 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/04721
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 202 LandinrichtingswetArt. 186 Landinrichtingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen uitspraak rechtbank over plan van toedeling ruilverkaveling

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het plan van toedeling in de ruilverkaveling Baarderadeel. De rechtbank heeft deze bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige ongegrond. Tegen dit vonnis is cassatieberoep ingesteld door eisers.

Volgens artikel 202, aanhef en onder f, in verbinding met artikel 186 van Pro de Landinrichtingswet is tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent bezwaren tegen het plan van toedeling geen rechtsmiddel open. De Hoge Raad erkent dat in uitzonderlijke gevallen cassatieberoep ontvankelijk kan zijn, namelijk wanneer fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden of essentiële vormen zijn verzuimd.

Eisers hebben echter geen geldige doorbrekingsgrond aangevoerd. Hun klacht over onvoldoende motivering van het vonnis kan niet worden aangemerkt als een schending van fundamentele rechtsbeginselen. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad veroordeelt eisers tevens in de kosten van het cassatiegeding, begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- aan salaris. Het arrest is uitgesproken op 6 september 2013 door raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het rechtsmiddelenverbod en het ontbreken van doorbrekingsgronden.

Uitspraak

6 september 2013
Eerste Kamer
11/04721
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],
gevestigd te [plaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. M.J. van Batenburg,
t e g e n
LANDINRICHTINGSCOMMISSIE VOOR DE RUILVERKAVELING "BAARDERADEEL",
gevestigd te Leeuwarden,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Landinrichtingscommissie.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaken 110425/HA ZA 11-124, 110426/HA ZA 11-125 en 110431/HA ZA 11-129 van de rechtbank Leeuwarden van 31 augustus 2011.
Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Landinrichtingscommissie heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van dat beroep.
De zaak is voor de Landinrichtingscommissie toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot niet-ontvankelijk-verklaring van [eiser] c.s. in hun beroep.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser] c.s. hebben bezwaren ingediend tegen het plan van toedeling in de ruilverkaveling “Baarderadeel”.
(ii) De rechtbank heeft die bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige ongegrond.
3.2
Ingevolge art. 202, aanhef en onder f, in verbinding met art. 186 Landinrichtingswet Pro staat tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent bezwaren tegen het plan van toedeling geen rechtsmiddel open. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is echter niet uitgesloten dat een cassatieberoep tegen een zodanige uitspraak toch ontvankelijk is, indien erover wordt geklaagd dat de rechtbank een of meer artikelen van de Landinrichtingswet betreffende (de vaststelling van) het plan van toedeling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel dat bij de totstandkoming van de uitspraak essentiële vormen zijn verzuimd. Voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod op laatstgenoemde grond is nodig dat aan de klacht ten grondslag ligt dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken (vgl. HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4503, NJ 2005/257).
3.3
Hetgeen [eiser] c.s. in cassatie hebben aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als een (beroep op een) doorbrekingsgrond. Voor zover zij klagen over verzuim van essentiële vormen, hierin bestaande dat de rechtbank haar vonnis niet toereikend heeft gemotiveerd, kan ook deze klacht niet dienen als een beroep op een doorbrekingsgrond. De klacht kan immers niet worden aangemerkt als een klacht over een fundamenteel rechtsbeginsel als hiervoor in 3.2 bedoeld.
3.4
Het hiervoor overwogene brengt mee dat [eiser] c.s. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun cassatieberoep.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Landinrichtingscommissie begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
6 september 2013.