Conclusie
Den Besten Horeca Holding B.V.,
Vier Jaargetijden Hengelo B.V.,
1.Feiten en procesverloop
grieven I en IIzijn gericht tegen de (ten overvloede gegeven) verwerping van het beroep van de Ontvanger op de afwijzingsgronden bedrijfsinmenging en afnamebeding, terwijl
grief IIIgericht is tegen het oordeel dat de vordering van de Ontvanger strandt omdat geen sprake is van bodembeslag.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
verhuurderof verpachter het recht was toegekend om een speciaal voorrecht (art. 1185 sub Pro 2 BW (oud)) te doen gelden op (onder meer) evengenoemde bodemgoederen, “onverschillig of de (...) voorwerpen al dan niet aan den huurder of pachter toebehooren”.
a)(onder meer) dient tot stoffering van huis of landhoef en
b)zich tijdens de beslaglegging bevindt op de ‘bodem van de belastingschuldige’.
a) ‘zaken tot stoffering’worden verstaan roerende zaken die strekken tot een enigszins duurzaam gebruik van het gebouw overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming, waardoor dat gebouw tevens beter aan die bestemming beantwoordt. [29] Onomstreden is dat daaronder in geval van een onderneming wel de bedrijfsinventaris, maar niet de voorraad valt. Zo is in onderhavige zaak niet in geschil dat het bodembeslag wel kan worden ingeroepen voor de bedrijfsinventaris van het café, maar niet voor de drankvoorraad. [30]
b) ‘bodem van de belastingschuldige’is noch in de achtereenvolgende Invorderingswetten noch art. 1186 BW Pro (oud) gedefinieerd. De wetsgeschiedenis bij de Invorderingswet 1990 vermeldt op dit punt:
feitelijk in gebruikwas bij [belastingschuldige]
enzij daarover
onafhankelijk van anderen de beschikkinghad. Aldus heeft het hof een juiste maatstaf gehanteerd.
rechtsverhoudingen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.”
rechtsverhoudingen’ [33] – ziet op de klacht (onderdeel 4.7) dat het hof met zijn overweging dat de ‘juridische betrokkenheid’ van de belastingschuldige ‘bij het bedrijfsgebeuren’ ten tijde van de beslaglegging nauwelijks gewijzigd bleek, miskent dat het niet gaat om juridische betrokkenheid (eerder was afgesproken: overname van bedrijfsactiviteiten door o.m. overname van diverse contracten, waaronder de huurovereenkomst betreffende het bedrijfspand). In zijn conclusie voor het arrest (onder 2.21-2.22) had A-G Asser betoogd dat geen rechtsregel het hof verbood om ook de juridische betrokkenheid van de belastingschuldige bij het bedrijf en de bedrijfsvoering in zijn oordeelsvorming te betrekken. Hij wees erop dat toepassing van het genoemde criterium, dat niet alleen spreekt van ‘gebruik’ maar ook van ‘onafhankelijk van anderen’ kunnen beschikken, dat meebrengt. “Met name het “onafhankelijk van anderen” kunnen beschikken is niet louter een feitelijkheid”, aldus de A-G.
voor welk doel dan ook– in
gebruikis en waarover hij
onafhankelijkvan anderen de –
feitelijke – beschikkingheeft. Bovendien kan er sprake zijn van een gemeenschappelijke bodem als een perceel bij meer dan één natuurlijke en/of rechtspersoon in gebruik is.”
ten eersteop de lezing dat het hof met deze oordelen bedoelt dat enkel aan het gebruiksvereiste kan zijn voldaan indien sprake is van (voortzetting van) de exploitatie van een op een perceel uitgeoefende onderneming. Geklaagd wordt dat die oordelen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.
ten tweedeop de lezing dat het hof er met zijn oordelen (i) en (ii) en/of anderszins in rov. 4.5 en 4.6 van uitgaat dat wanneer de belastingschuldige failliet is, uitsluitend van belang is of de belastingschuldige zelf het perceel nog feitelijk in gebruik heeft en dat niet relevant is of de curator als zodanig het perceel feitelijk in gebruik heeft.
van de curatorkunnen leiden dat voldoende is om het bestaan van bodem van de belastingschuldige aan te kunnen nemen.
- a) de curator beschikte over de sleutels van het pand;
- b) de curator de enige was die toegang tot het pand had;
- c) de curator het pand diverse keren heeft bezocht voor meerdere doeleinden, zoals het verkopen van daar aanwezige voorraden en het ervoor zorg dragen dat derden de aan hen toebehorende zaken konden ophalen, en
- d) een gedeelte van de administratie (kasboek, facturen en dergelijke) zich in het pand bevond.
subonderdelen 1.3 en 1.4sturen aan, zo begrijp ik, op de formulering door Uw Raad van een aantal subregels. Ik onderscheid de volgende:
nietaan de belastingschuldige worden toegerekend. [75]
curatorwel toegang had tot het café (rov. 4.5, laatste zin).
datbodembeslag bij faillissement mogelijk is, maar niet
in welke gevallendat mogelijk is. Het artikel is alleen aan de orde indien bodembeslag is gelegd en mogelijk is. Daarmee faalt ook deze rechtsklacht, hoewel toegegeven moet worden dat het oordeel van het hof in rov. 4.5 niet goed aansluit op hetgeen de ontvanger had gesteld.
onderdelen 3 en 4bouwen op de eerdere onderdelen voort en treffen daarom evenmin doel.