Uitspraak
kantoorhoudende te Almelo,
gevestigd te Apeldoorn,
gevestigd te Apeldoorn,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
11 april 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of na het faillissement en het staken van de exploitatie van een horecabedrijf de bedrijfsinventaris nog als 'bodem' van de belastingschuldige kon worden aangemerkt voor het leggen van bodembeslag. De Ontvanger van de Belastingdienst had bodembeslag gelegd op de inventaris van het failliete horecabedrijf, maar de rechtbank en het gerechtshof wezen de vordering af omdat het pand niet meer feitelijk in gebruik was bij de belastingschuldige.
De curator had na het faillissement wel de sleutels en toegang tot het pand, en verrichtte enkele handelingen zoals beheer en verkoop van voorraden. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit niet voldoende is om het pand als bodem van de belastingschuldige aan te merken. De enkele aanwezigheid van administratie of beheerhandelingen door de curator leidt niet tot het voortduren van de bodemstatus.
De Hoge Raad bevestigde het arrest van het hof en verwierp het cassatieberoep van de Ontvanger. Dit arrest verduidelijkt de criteria voor het begrip 'bodem' in de zin van art. 22 lid 3 Invorderingswet Pro 1990, waarbij feitelijk gebruik en onafhankelijke beschikking door de belastingschuldige centraal staan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat geen sprake was van bodembeslag na faillissement en staken exploitatie.