Conclusie
eerste middelbehelst, onder verwijzing naar HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 m.nt. Borgers, de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 primair niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed, nu uit het bewezenverklaarde niet kan volgen dat sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven, voorhanden hebben, overdragen en/of omzetten en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het door eigen misdrijf van verzoeker en zijn mededaders verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
Artikel 420bis Sr
Artikel 420ter
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".
Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.”
Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.
In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.”
Onmiddellijk of middellijk; indirecte opbrengsten
tweede middelhoudt in dat het onder 3 bewezenverklaarde medeplegen van het aanwezig hebben van hennep in de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] en in de growshop [B], waar deze broer (zie bewijsmiddel 20) de enige aanwezige in die growshop is, niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
“Ten aanzien van feit 3
derde middelvalt in twee klachten uiteen. De eerste klacht luidt dat het Hof ten onrechte voor het bewijs van de feiten 4 en 5 gebruik heeft gemaakt van de verklaring van [betrokkene 1], voor zover inhoudende: “Ik heb deze bedragen opgenomen omdat hij tijdelijk meer heeft gewerkt. Zijn salaris is nooit hetzelfde geweest. Dit salaris heeft hij twee of drie keer gehad”, “aangezien deze verklaring niet redengevend kan worden geacht voor de bewezenverklaarde opzet en/of opzettelijke valsheid (feit 4) en de listige kunstgrepen (feit 5)”. De tweede klacht houdt in dat evenmin redengevend is de voor het bewijs gebezigde verklaring van verzoeker (bewijsmiddel 26), inhoudende “U vertelt dat er werkgeversnummers en andere gegevens op staan. Ik weet niet meer hoe ik daar aan gekomen ben”, nu deze verklaring het bewijs van het opzet verzwakt dat in casu bewezen moet worden.
een proces-verbaal van verhoor van [verdachte]. opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier van politie, genummerd 08-029365, gesloten op 4 november 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (ordner 3, zaakdossiers 1 t/m 3, blz. 908);
vierde middelhoudt de klacht in dat het Hof heeft verzuimd te reageren op het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard met betrekking tot de weedafval in het schuurtje.