Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het zevende middel
3.Beoordeling van het tiende middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Slotsom
6.Beslissing
20 mei 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor het voorhanden hebben van een geldbedrag waarvan hij wist dat het afkomstig was uit enig misdrijf, gekwalificeerd als witwassen. Het hof baseerde zich op uitgebreid bewijs, waaronder interne bankdocumenten, verklaringen van betrokkenen en de verdachte zelf.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake zou zijn van meer dan het enkele voorhanden hebben van het geldbedrag, namelijk dat de gedragingen van de verdachte gericht waren op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Hierdoor is het oordeel over witwassen ontoereikend gemotiveerd en wordt dit deel vernietigd.
Daarnaast is er discussie over de ingangsdatum van de wettelijke rente over de toegewezen schadevergoeding aan de benadeelde partij. De Hoge Raad stelt dat het hof het oordeel over de rente op de schadevergoeding onvoldoende heeft gemotiveerd en vernietigt dit onderdeel ook. De opgelegde schadevergoedingsmaatregel blijft echter in stand.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting van de vernietigde onderdelen. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest over witwassen en wettelijke rente en verwijst de zaak terug naar het hof Amsterdam.