Conclusie
eerste middelen het
tweede middelfalen bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu de aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, zich bij de gedingstukken bevindt.
derde middelklaagt dat het Hof het onder 5 bewezenverklaarde feit ten onrechte als (gewoonte)witwassen heeft gekwalificeerd, althans dat het Hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
14 december 2001 tot en met 11 november 2008te Amsterdam en/of te Arnhem en/of te Haarlem en/of te Utrecht en/of elders in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, geldbedragen verworven en voorhanden gehad, te weten
Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk [7] verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.
In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.
vierde middelklaagt dat de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 primair ontoereikend is gemotiveerd, nu het Hof deze bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 1].
21 oktober 2000 tot en met 20 oktober 2001te Amsterdam en/of te Utrecht en/of te Arnhem en/of elders in Nederland,
[slachtoffer 1](geboren [geboortedatum] 1983), ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en ten aanzien van die [slachtoffer 1] enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte wist dat die minderjarige zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelde,
21 oktober 2001 tot 1 november 2003te Amsterdam en/of te Arnhem en/of te Haarlem en/of te Utrecht en/of elders in Nederland, een ander, te weten
[slachtoffer 1], door bedreiging met geweld en bedreiging met één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling
[slachtoffer 1]:
verdachte:
[betrokkene 2](het hof begrijpt: de moeder van [slachtoffer 1])
[betrokkene 1]:
[betrokkene 1]:Ik had wel een bepaald gevoel bij [verdachte]. Hij heeft het nooit duidelijk gezegd of gevraagd, maar ik kwam erachter dat hij een vriendinnetje had die geld aan hem af moest staan. Dit was [slachtoffer 1]. Zij werkte erg op zichzelf, mocht niet van de kamer af enzo. Ik wist dat ze geld aan [verdachte] af moest staan.
mededeling van verbalisant:
verdachte:
“De bewijsminimumregel ten aanzien van getuigenbewijs
Bruikbaarheid van getuigenverklaringen in het licht van hun totstandkoming
nietzijn uitgebuit, terwijl het dossier verschillende aanwijzingen bevat dat hiervan wel sprake is geweest en de advocaat-generaal op die grond ten aanzien van de betrokken getuige een bewezenverklaring heeft gevorderd.
vijfde middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 4 ontoereikend is gemotiveerd, nu het Hof deze uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2]. Voorts houdt het middel de klacht in dat de omstandigheid dat verzoeker [slachtoffer 2] heeft geslagen niet uit de bewijsvoering kan volgen.
7 oktober 2005 tot en met 1 januari 2008
[slachtoffer 2],afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2011.
[slachtoffer 2]:
[slachtoffer 2]:
[betrokkene 5]:
verdachte:
verdachte:
Met betrekking tot [slachtoffer 2]
tegende verdachte; zij wil wel, zoals zij zegt, haar verhaal doen. Ook bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat zij weliswaar zowel tegenover de politie als de rechter-commissaris steeds naar waarheid heeft verklaard, maar dat zij haar verklaring niet wenst te ondertekenen omdat het dan net een aangifte lijkt en dat zij geen aangifte wil doen.