Conclusie
f300.000,-. Een derde van dit bedrag, derhalve
f100.000,- (€ 45.378,-), kwam toe aan de vrouw. Tussen partijen staat vast dat de schenking privé-vermogen van de vrouw betreft. Het bedrag van
f100.000,- is op een gemeenschappelijke rekening van partijen gestort.
f650.000,- (€ 294.957,-).
f300.000,- (€ 136.134,-) en uit overgespaarde inkomsten een bedrag geïnvesteerd van
f300.000,- (€ 136.134,-). Tussen partijen is in geschil is of het resterende bedrag van
f50.000 (€ 22.689,-) is gefinancierd met de helft van het onder b) genoemde schenkingsbedrag dan wel door aanwending van overgespaarde inkomsten van partijen.
f50.000 (€ 22.689,-) van de onder b) genoemde schenkingsbedrag dan wel of sprake is geweest van een gezamenlijke investering.
- primair te bepalen dat 52% belasting moet worden betaald zodat de netto waarde van de panden bedoeld onder ii € 477.232,- bedraagt;
- subsidiair te bepalen dat over de twee niet verkochte panden 43% belasting moet worden betaald;
f25.000,-/€ 11.344,50 nominaal, op grond waarvan hij dit bedrag aan haar dient te voldoen;
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderneming [A]
subonderdeel 1.2waarin wordt geklaagd dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door voor de waardering van de onderneming van c.q. panden behorende bij die onderneming op de peildatum van 1 januari 2006 een kapitalisatiefactor te hanteren rekening houdend met (mogelijke) ontwikkelingen en omstandigheden in de toekomst.
Belastinglatentie
nutot financiële afwikkeling wensen te komen zodat het hof het redelijk en billijk acht bij de waardering het nominale percentage van 52% te hanteren. Opvallend is voorts dat uit dit oordeel van het hof niet blijkt of het hof – overeenkomstig eerder genoemde rechtspraak van de Hoge Raad – de latente belastingclaims op eenzelfde wijze heeft gewaardeerd als het onderliggende vermogensbestanddeel waarover belasting zal worden geheven.
nute komen tot een financiële afwikkeling, waarbij het hof lijkt te hebben aangesloten bij hetgeen de man in zijn verweerschrift in incidenteel appel heeft betoogd, mede in het licht van de met de opinies van de deskundige onderbouwde stellingen van de vrouw, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het gaat bij de waardering van latente belastingclaims immers altijd om een afwikkeling die ‘nu’ (althans op de peildatum) plaatsvindt met betrekking tot (mogelijke te verwachten) toekomstige fiscale verplichtingen.
Maatschap [B]
Algemeen
Maatschap [B]
subonderdeel 3.2is het oordeel van het hof onbegrijpelijk dan wel innerlijk tegenstrijdig nu het hof in rechtsoverweging 18 van zijn beschikking van 18 januari 2012 vaststelt dat de door de vrouw bedoelde investeringen in het maatschapsvermogen en de voormalige echtelijke woning zijn gedaan van hun gemeenschappelijke rekening waarop zij de door haar vader geschonken bedragen heeft gestort, maar vervolgens oordeelt dat de vrouw (desondanks) niet aannemelijk heeft gemaakt dat voornoemde vermogensbestanddelen door haar uit privévermogen zijn gefinancierd.
Subklacht ahoudt in dat het oordeel van het hof dat het maatschapsaandeel van de vrouw in [B] niet langer behoort tot haar privévermogen, onbegrijpelijk is in het licht van de door de man in het hoger beroep onbestreden gelaten vaststelling van de rechtbank in haar tussenbeschikking van 11 februari 2008 (p. 10 [45] ) dat tussen partijen vaststaat dat de schenking privévermogen van de vrouw betreft en buiten het te verrekenen vermogen valt, en het evenmin bestreden oordeel van de rechtbank in haar eindbeschikking (p. 8) dat tussen partijen nooit ter discussie heeft gestaan dat de maatschap [B] een privéonderneming van de vrouw met haar vader en zussen betreft en dat haar aandeel in deze maatschap niet tussen partijen behoeft te worden verrekend en dat tussen partijen is afgesproken dat het aandeel van de vrouw in deze maatschap niet voor verrekening in aanmerking komt.
subklacht bheeft het hof zijn taak als appelrechter en/of de devolutieve werking van het appel miskend indien het hof van oordeel was dat het deze vaststaande feiten – waarop de vrouw zich in het hoger beroep ook op heeft beroepen [46] – niet in zijn oordeel hoefde te betrekken.
f100.000 (€ 45.378,-) niet reeds heeft toegewezen vanwege de erkenning van de man dat hij daartoe verplicht is [51] . Voorts wordt (onder b) geklaagd dat, indien het hof van oordeel is geweest dat ook met inachtneming van voornoemde erkenning van de man de door de vrouw verzochte vergoeding van het nominale schenkingsbedrag niet kon worden vastgesteld en/of toegewezen, het hof zijn eindbeschikking niet toereikend heeft gemotiveerd.
f100.000 (€ 45.378,00) nominaal dient te worden terugbetaald [54] . Tussen partijen was derhalve niet in geschil dat de vrouw een vergoedingsrecht voor dat bedrag jegens de man had. Het oordeel dat het hof niet kan vaststellen of er mogelijk een vergoedingsrecht van de vrouw jegens de man is ontstaan, is in het licht van het partijdebat dan ook onbegrijpelijk.
3.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
Vergoedingsrecht
f50.000,- heeft geïnvesteerd in de voormalige echtelijke woning, althans ten onrechte haar inbreng van dat bedrag buiten elke verrekening heeft gelaten. Ter toelichting op deze grief heeft de vrouw zich primair op het standpunt gesteld dat zij
f50.000,- heeft aangewend voor de financiering van deze woning en subsidiair dat toch ten minste wordt vastgesteld dat zij nominaal
f50.000,-/€ 22.727,- heeft ingebracht op de gezamenlijke rekening, te meer daar dit ook door de man is erkend [56] .
f50.000,-/€ 22.727,-, borduurt op (de toelichting op) grief II van het incidenteel appel voort. Het oordeel van het hof dat de vordering van de vrouw niet tardief is acht ik dan ook onjuist noch onbegrijpelijk [57] .