ECLI:NL:HR:2010:BM6995
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ontbinding en schadevergoeding bij niet blijvende nakoming
In deze zaak stond de vraag centraal of bij een vordering tot ontbinding van een overeenkomst en schadevergoeding, nakoming blijvend onmogelijk moet zijn om verzuim achterwege te laten. De zaak betrof een civielrechtelijk geschil tussen eiser en verweerster over de vraag of verzuim vereist is indien nakoming niet blijvend of slechts tijdelijk onmogelijk is.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten van rechtbank en gerechtshof, die aan dit arrest zijn gehecht. Het hof had het geschil in het voordeel van verweerster beslist, waarna eiser beroep in cassatie instelde. Verweerster was niet verschenen in cassatie, en tegen haar was verstek verleend.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van eiser niet tot cassatie kunnen leiden en dat gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie geen nadere motivering nodig is. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die nihil zijn vastgesteld aan de zijde van verweerster.
Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 17 september 2010.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.