Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.GESCHIL
3.OVERWEGINGEN
Ontvankelijkheid
4.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Kosten bezwaarfase
5.DE BESLISSING
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Belanghebbende, een offshore vennootschap, kreeg aanslagen winstbelasting opgelegd voor de jaren 2006 en 2007, respectievelijk 11 jaar en 10 maanden en 10 jaar en 10 maanden na het belastingjaar. De vraag was of deze aanslagen tijdig waren opgelegd, aangezien de oude Landsverordening winstbelasting (LWB oud) geen termijn voor het opleggen van primitieve aanslagen bevatte.
Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de aanslagen te laat waren, verwijzend naar jurisprudentie van de Raad van Beroep voor Belastingzaken die een termijn van tien jaar hanteert bij het niet doen van aangifte. De Inspecteur stelde dat vanwege het ontbreken van een wettelijke termijn en de bijzondere positie van offshore vennootschappen een termijn van 15 jaar, zoals in de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) voor navorderingsaanslagen, toepasselijk was.
Het Gerecht oordeelde dat het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel vereisen dat aanslagen binnen tien jaar worden opgelegd indien geen aangifte is gedaan. De door de Inspecteur aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals de behandeling van offshore vennootschappen en buitenlandse activiteiten, rechtvaardigen geen verlenging van deze termijn. De aanslagen zijn derhalve te laat opgelegd en worden vernietigd.
Daarnaast werd het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, maar het beroep tegen de uitspraken op bezwaar wel gegrond. Het Gerecht kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De aanslagen winstbelasting 2006 en 2007 zijn te laat opgelegd en worden vernietigd.