De Inspecteur legde aan belanghebbende een naheffingsaanslag en een verzuimboete op wegens het niet tijdig doen van aangifte winstbelasting over 2008. Belanghebbende was eerder ook in verzuim geweest voor de jaren 2006 en 2007. Het Gerecht had de verzuimboete verminderd tot NAf 250 en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
In hoger beroep stond centraal of de verzuimboete terecht was verminderd en of de proceskostenveroordeling terecht was opgelegd. Het Hof oordeelde dat het niet tijdig indienen van de aangifte in 2008 het derde verzuim betrof, waardoor de boete conform de ministeriële beschikking op NAf 1.000 moest worden gesteld. Het Hof achtte deze boete passend en vernietigde het deel van het vonnis dat de boete had verminderd.
Ten aanzien van de proceskostenveroordeling bevestigde het Hof het oordeel van het Gerecht dat de Inspecteur terecht in de proceskosten werd veroordeeld. Het Hof overwoog dat voor toekenning van proceskosten in de beroepsfase geen onzorgvuldig handelen of kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht door de Inspecteur vereist is. De hoogte van de proceskosten werd vastgesteld op NAf 1.050, aansluitend bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de naheffingsaanslag winstbelasting bleef verminderd tot nihil, de verzuimboete werd verhoogd tot NAf 1.000 en de proceskostenveroordeling van de Inspecteur in eerste aanleg werd gehandhaafd. Het Hof zag geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten in hoger beroep.