Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Waar het in deze zaak om gaat
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
Verder heeft het hof vastgesteld dat ‘ [verbalisant 1] ’ naar aanleiding hiervan op 27 september 2018 vragen heeft gesteld waarna de verdachte zijn verhaal heeft gedaan en ‘ [verbalisant 1] ’ voornamelijk reageerde op wat de verdachte toen verklaarde. ‘ [verbalisant 1] ’ heeft op 16 oktober 2018 verschillende (verdiepende) vragen gesteld over “die knakker die koud gemaakt is”. Het hof heeft – mede door het beluisteren van de geluidsopnamen – vastgesteld dat in beide gesprekken niet is gebleken van enige door ‘ [verbalisant 1] ’ uitgeoefende druk of van enige door hem gestelde voorwaarde en geoordeeld dat geen sprake is geweest van een onacceptabele wijze van sturen of een ongeoorloofde bemoeienis met de inhoud van de verklaring van de verdachte. Uit de gesprekken heeft het hof afgeleid dat de verdachte op 27 september 2018 en 16 oktober 2018 zelf ervoor heeft gekozen zijn verhaal te delen met ‘ [verbalisant 1] ’, die aangaf dat hij problemen met de politie wilde vermijden.
Mede op grond daarvan heeft het hof geoordeeld dat de verdachte bij de gesprekken van 27 september 2018 en 16 oktober 2018 is gaan verklaren door een toelaatbare mate van misleiding, zonder dat daarbij enige druk op de verdachte is gelegd om een bekentenis af te leggen. Dat oordeel geeft – tegen de achtergrond van wat onder 4.5.3 en 4.5.4 is overwogen en in het licht van wat onder 4.3.2 en 4.3.3 is vooropgesteld – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat wordt niet anders door de duur van het onderhouden van de (sociale) contacten tijdens het gehele WOD-traject. Verder blijkt in dat verband uit de beoordeling van het hof dat het ten aanzien van het latere gesprek met ‘ [verbalisant 1] ’ op 24 januari 2019 de mate van sturing onacceptabel vond, zodat het die verklaring van het bewijs heeft uitgesloten. De op dit alles gebaseerde conclusie van het hof dat de door de verdachte afgelegde verklaringen die het voor het bewijs heeft gebruikt, niet zijn verkregen in strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Het hof heeft in dat verband allereerst overwogen waarom het ervan overtuigd is dat de verdachte in deze verklaringen “het werkelijke verhaal” heeft verteld en dat dit dus – anders dan door en namens de verdachte naar voren is gebracht – geen verzonnen “broodje aap”-verhaal is. Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op het WhatsApp-gesprek tussen de verdachte en ‘ [verbalisant 1] ’ van 17 oktober 2018 en de opgenomen vertrouwelijke communicatie van 27 september 2018 en 17 oktober 2018 tussen de verdachte en zijn vriendin [betrokkene 1] . Voorts heeft het hof verankering van verschillende elementen uit de verklaringen van de verdachte gevonden in objectieve onderzoeksbevindingen in het dossier op grond waarvan het hof heeft geconcludeerd dat wat de verdachte aan ‘ [verbalisant 3] ’ en met name ‘ [verbalisant 1] ’ heeft verteld “aantoonbaar juist” is gebleken. Daarnaast heeft het hof steun gevonden voor deze verklaringen in ander bewijs, te weten de verklaring van de getuige [betrokkene 10] over het naar het buitenland brengen van de telefoon van het slachtoffer en wat is komen vast te staan over het drugstransport van 31 december 2001. Het hierop steunende oordeel van het hof dat de verklaringen van de verdachte betrouwbaar zijn en dus voor het bewijs kunnen worden gebruikt, is – mede gelet op wat onder 4.3.6 is vooropgesteld – niet onbegrijpelijk.
5.Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
6.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
7.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
8.Beslissing
12 december 2023.