Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Waar het in deze zaak om gaat
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
5.Beslissing
22 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft brandstichting in een woning met dodelijke afloop, waarbij de verdachte werd verdacht van het opzettelijk stichten van brand met gebruik van terpentine en een spuitbus als vlammenwerper. Tijdens het opsporingsonderzoek werd op grond van artikel 126j Sv een opsporingsambtenaar ingezet die zich voordeed als mede-arrestant om stelselmatig informatie in te winnen. De verdachte, die als kwetsbaar werd aangemerkt vanwege psychische problematiek, deed belastende verklaringen tegenover deze undercoveragent.
Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de inzet van de stelselmatige informatie-inwinster proportioneel en subsidiar was en dat de verklaringen niet in strijd waren met de verklaringsvrijheid van de verdachte. Wel werd een onherstelbaar vormverzuim vastgesteld omdat de gesprekken niet audiovisueel waren opgenomen, maar dit leidde niet tot bewijsuitsluiting.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor de inzet van een undercoveragent bij een voorlopige hechtenis en benadrukt dat bij kwetsbare verdachten de persoon van de verdachte een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de mate van druk en de toelaatbaarheid van de verklaringen. De Hoge Raad constateert dat het hof onvoldoende blijk heeft gegeven van een zorgvuldige beoordeling van de kwetsbaarheid van de verdachte en de druk die door de undercoveragent is uitgeoefend. Daarom is het oordeel van het hof niet begrijpelijk en wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.