ECLI:NL:HR:2012:BV7393
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- E.N. Punt
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strijdigheid BPM-afschrijvingsgrondslag met Europees recht
Belanghebbende heeft BPM betaald bij registratie van een gebruikte auto en verzocht om teruggaaf, welke door de Inspecteur werd afgewezen. De Rechtbank Arnhem vernietigde dit besluit en stelde de terug te geven BPM vast op € 5529, met als grondslag een berekening gebaseerd op de inkoopwaarde van de gebruikte auto in plaats van de wettelijke methode.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad onderzocht of de wettelijke berekeningswijze van de BPM-afschrijving, zoals neergelegd in artikel 10, lid 2, van de Wet BPM en de Uitvoeringsregeling, in strijd is met artikel 110 VWEU Pro dat discriminatie van ingevoerde gebruikte auto's verbiedt.
De Hoge Raad oordeelde dat de wettelijke methode, die uitgaat van een vermindering van de catalogusprijs en een vaste correctiefactor, niet garandeert dat ingevoerde gebruikte auto's niet zwaarder worden belast dan vergelijkbare binnenlandse gebruikte auto's. Dit leidt tot een verboden benadeling in strijd met Europees recht.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde het vonnis van de Rechtbank Arnhem dat de BPM-teruggaaf moet worden berekend door de inkoopwaarde van de gebruikte auto af te zetten tegen de consumentenprijs van een vergelijkbare nieuwe auto. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de wettelijke bepaling betreffende BPM-afschrijving wordt buiten toepassing gelaten wegens strijd met artikel 110 VWEU.