ECLI:NL:HR:2009:BJ2012

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43873
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BPMArt. 9 Wet BPMArt. 90 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over waardebepaling BPM bij import gebruikte personenauto

Belanghebbende kocht in Duitsland een gebruikte personenauto en deed in 2003 aangifte BPM bij registratie in Nederland. Hij berekende de BPM op basis van de netto catalogusprijs met een vermindering volgens de Wet BPM. Het bezwaar tegen de aanslag werd door de inspecteur en het hof afgewezen, waarbij het hof de inruilwaarde als uitgangspunt verwierp.

In cassatie stelde belanghebbende dat de BPM niet mag worden berekend op de verkoopwaarde van reeds in Nederland geregistreerde gebruikte auto's, omdat dit leidt tot een hogere heffing dan op gelijksoortige auto's die al in Nederland geregistreerd zijn. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 90 EG Pro zich verzet tegen een stelsel waarbij de BPM-heffing hoger is dan de belasting die rust op een gelijksoortige gebruikte auto die al in Nederland geregistreerd is.

De Hoge Raad stelt dat voor de BPM-berekening de inkoopprijs van de gebruikte auto moet worden gehanteerd en niet de verkoopwaarde, omdat anders de marge van de handelaar in de heffing wordt betrokken. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.

De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het cassatiegeding en gelast vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende. De zaak betreft een belangrijke uitleg van de waardebepaling voor BPM bij import van gebruikte auto's.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor beoordeling waarbij de BPM moet worden berekend op basis van de inkoopprijs van de gebruikte auto.

Uitspraak

nr. 43.873
10 juli 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 12 januari 2007, nr. BK 1018/04, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Belanghebbende heeft op 28 januari 2003 op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft in Duitsland een gebruikte personenauto gekocht en in 2003 doen registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. In zijn aangifte voor de BPM heeft belanghebbende de voor de personenauto verschuldigde BPM berekend aan de hand van de netto catalogusprijs als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) met inachtneming van een vermindering overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet. Belanghebbende heeft tegen de voldoening van het aldus berekende bedrag bezwaar gemaakt.
3.2. Het Hof heeft verworpen het standpunt van belanghebbende dat bij de waardebepaling van de auto de inruilwaarde zoals de handel die pleegt te hanteren, als uitgangspunt mag worden genomen.
3.3. Voor zover het middel zich tegen dit oordeel richt, slaagt het. Artikel 90 EG Pro verzet zich tegen de toepassing van een stelsel van belastingheffing waarbij niet wordt uitgesloten dat een ingevoerde gebruikte auto in bepaalde gevallen onderworpen is aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte auto. Wanneer een handelaar een zodanige auto inkoopt, zal de nog op die auto rustende BPM gelijk zijn aan een aan de door de handelaar betaalde inkoopsom evenredig gedeelte van de oorspronkelijke BPM. Deze op die auto rustende BPM wordt niet verhoogd door de eventuele marge die de handelaar bij verkoop van die auto realiseert. Indien in een geval als het onderhavige zou worden uitgegaan van de verkoopwaarde van de auto zou de marge van de handelaar in de heffing worden betrokken. Daardoor zou de heffing hoger zijn dan de BPM die rust op de evenbedoelde gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte auto. Derhalve zal voor de vaststelling van de BPM moeten worden uitgegaan van de inkoopprijs van laatstbedoelde auto.
3.4. Gelet op het hiervoor in 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor behandeling van het door het Hof niet behandelde geschilpunt. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 105,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2009.