Uitspraak
Dining Sidechair Wood,die eind jaren veertig is ontworpen door het Amerikaanse echtpaar Charles en Ray Eames – in Nederland en België als ‘werk van toegepaste kunst’ auteursrechtelijke bescherming geniet. Daarbij komt een reeks vragen over internationaal auteursrecht aan de orde. Veel vragen betreffen de zogeheten materiële-reciprociteitstoets in art. 2 lid 7 van Pro de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (hierna: de Berner Conventie) [4] , welke bepaling in de praktijk vaker aanleiding geeft tot problemen. Partijen hebben deze vragen in principiële en uitvoerige betogen aan het hof voorgelegd.
Sony/Falcon-arrest (rov. 61-64)
Dining Sidechair Wood(hierna: DSW).
Museum of Modern Artin New York in 1948 heeft uitgeschreven. De groep stoelen (de ‘ Eames Plastic Sidechairs’) is vanaf 1950 tentoongesteld in dit museum.
2.Transfer of ownership of rights
3.Miscellaneous
4.Applicable Law and Dispute Resolution
Sony/Falcon(hierna: het
Sony/Falcon-arrest) [8] (rov. 4.14-4.16). Het beroep op slaafse nabootsing wees zij af (rov. 4.41-4.43). De rechtbank wees de vorderingen van Vitra in zaak I af en wees de vorderingen van Kwantum c.s. in zaak II grotendeels toe.
bis-Verordening nu de verweerders, Kwantum Nederland en Kwantum België, woonplaats hebben in Nederland. [10]
Sony/Falcon-arrest (hoofdstuk XII). Subsidiair betoogt Vitra dat, voor zover art. 2 lid 7 wel Pro toepasselijk is, de toepassing van deze bepaling niet meebrengt dat de DSW in Nederland en België geen auteursrechtelijke bescherming geniet (hoofdstukken XIII–XVI).
en tekeningen en modellen van nijverheid’ heeft toegevoegd. Dat is volgens haar een apart (‘geheel separaat’) beschermingsregime voor ‘tekeningen en modellen van nijverheid’, dat los staat van auteursrechtelijke bescherming van ‘werken van toegepaste kunst’. Wel heeft dit speciale beschermingsregime de materiële inhoud van de auteurswet, zo stelt Vitra. Met deze toevoeging werd volgens Vitra voldaan aan de verplichting van art. 5quinquies Verdrag van Parijs om tekeningen en modellen van nijverheid te beschermen. Vitra stelt dat de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie alleen van toepassing is op ‘werken van toegepaste kunst’ en niet op ‘tekeningen en modellen van nijverheid’ als bedoeld in art. 10 lid 1 sub Pro 11 Auteurswet. Dat betekent volgens Vitra dat zij voor de DSW op grond van art. 3 TRIPs Pro-Overeenkomst in Nederland de bescherming als ‘model’ ex art. 10 lid 1 sub Pro 11 Auteurswet kan inroepen zonder dat materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 in Pro beeld komt, want deze bepaling is niet van toepassing, aldus Vitra.
ab ovobepaald dat onder werken van letterkunde, wetenschap of kunst ook worden verstaan ‘werken van op nijverheid toegepaste kunst’. In de jaren zeventig heeft de Nederlandse wetgever daaraan de woorden
‘en tekeningen en modellen van nijverheid’toegevoegd
. [33] Daarmee heeft de wetgever echter, anders dan Vitra betoogt,
nieteen apart beschermingsregime voor tekeningen en modellen van nijverheid gecreëerd. De woorden
‘en tekeningen en modellen van nijverheid’zijn om een geheel andere reden opgenomen in deze bepaling. Zij zijn toegevoegd omdat het parlement bezorgd was dat de invoering van de BTMW nadelige gevolgen zou hebben voor de auteursrechtelijke bescherming van tekeningen en modellen. Deze zorg had betrekking op art. 21 BTMW Pro, dat bepaalt dat tekeningen en modellen die geen duidelijk kunstzinnig karakter vertonen, zijn uitgesloten van bescherming uit hoofde van de auteurswet. In het parlement rees de vraag of deze bepaling meebrengt dat tekeningen en modellen die weliswaar een kunstzinnig karakter vertonen (en normaal gesproken dus in aanmerking zouden komen voor auteursrechtelijke bescherming als werk van toegepaste kunst) maar geen
duidelijkkunstzinnig karakter vertonen, na de invoering van de BTMW geen auteursrechtelijke bescherming meer zouden genieten (naast modelrechtelijke bescherming uit hoofde van de BTMW). De minister van Justitie vatte het als volgt samen:
‘en tekeningen en modellen van nijverheid’toe te voegen in deze bepaling heeft de wetgever getracht dit te voorkomen. Van een apart beschermingsregime voor tekeningen en modellen is dus geen sprake. Voor zover tekeningen en modellen voldoen aan de daarvoor gestelde vereisten genieten zij, als werken van toegepaste kunst, ‘gewone’ auteursrechtelijke bescherming. Dat betekent ook dat de materiële-reciprociteitsuitzondering van art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie dan op hun pad kan komen. [35] Art. 3 TRIPs Pro-Overeenkomst belet dat niet: deze bepaling laat deze uitzondering immers toe. Het betoog van Vitra dat de DSW op grond van art. 3 TRIPs Pro-Overeenkomst hoe dan ook (via art. 10 lid 1 sub Pro 11 Auteurswet) auteursrechtelijke bescherming in Nederland geniet, gaat dus niet op.
l’unité d’artwerd daarmee destijds tot in zijn uiterste consequentie doorgevoerd. [37] Waar tekeningen en modellen aldus in België auteursrechtelijk worden beschermd, kan de materiële-reciprociteitsuitzondering van art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie op hun pad komen. [38] Het betoog van Vitra dat de DSW op grond van art. 3 TRIPs Pro-Overeenkomst hoe dan ook auteursrechtelijke bescherming in België geniet, gaat dus niet op.
grief 1valt zij het andersluidende oordeel van de rechtbank in rov. 4.7 tot en met 4.12 van het bestreden vonnis aan.
n’importe quellenationale wet – dat kan dus ook de auteurswet zijn – toekent aan de materie genoemd in art. 1 lid Pro 2, bijvoorbeeld tekeningen of modellen van nijverheid, ook moet worden toegekend aan onderdanen van andere Unielanden. Ter ondersteuning van haar betoog verwijst Vitra ook naar art. 5quinquies Verdrag van Parijs, dat bepaalt dat tekeningen en modellen van nijverheid in alle landen van de Unie zullen worden beschermd, zonder te specificeren om welke (soort) bescherming het gaat. In dat verband merkt Vitra op dat professor G.H.C. Bodenhausen in zijn gezaghebbende
Guide to the Application of the Paris Convention for the Protection of Industrial Propertyover deze bepaling schrijft:
travaux préparatoiresvan deze conferentie blijkt dat de verdragsopstellers hiermee een opsomming wilden geven van de
rechtendie worden geschaard onder de term ‘industriële eigendom’. [43] Het auteursrecht wordt in deze opsomming niet genoemd, net als bijvoorbeeld het kwekersrecht. Deze rechten vallen dus buiten het materiële toepassingsgebied van het Verdrag van Parijs c.q. het beginsel van nationale behandeling in art. 2 van Pro dat verdrag.
travaux préparatoiresvan deze conferentie. [47]
‘en tekeningen en modellen van nijverheid’niet in (thans) art. 10 lid 1 sub Pro 11 Auteurswet opgenomen (mede) ter uitvoering van art. 5quinquies Verdrag van Parijs. Met deze toevoeging is immers getracht art. 21 BTMW Pro, waarin werd bepaald dat auteursrechtelijke bescherming voor tekeningen en modellen alleen is weggelegd indien zij een
duidelijkkunstzinnig karakter vertonen, te neutraliseren. [51] Aan de verplichting van art. 5quinquies Verdrag van Parijs is voldaan door invoering van de BTMW. [52]
Sony/Falcon-arrest van het Hof van Justitie EU moet worden beschermd. [58] Met
grief 2keert zij zich tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank in rov. 4.16 van het bestreden vonnis.
Sony/Falcon-arrest heeft het Hof van Justitie deze bepaling volgens Vitra aldus uitgelegd dat indien een werk op 1 juli 1995 in ten minste één lidstaat auteursrechtelijk werd beschermd, die bescherming ook moet worden verleend in de andere lidstaten gedurende de resterende geharmoniseerde beschermingsduur, ook indien het in zo’n andere lidstaat eerder niet werd beschermd. Aldus heeft het Hof niet alleen de beschermingsduur, maar ook de bescherming c.q. de verzameling beschermde objecten geharmoniseerd, aldus Vitra.
Sony/Falcon-arrest meebrengt dat, nu de DSW (ook op 1 juli 1995) auteursrechtelijke bescherming in Duitsland geniet, zij dat ook geniet in de andere lidstaten, dus ook in Nederland en België. Art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie kan daaraan geen afbreuk doen, aldus Vitra.
Sony/Falcon-arrest de door Vitra voorgestane uitleg heeft gegeven aan art. 10 lid 2 Duurrichtlijn Pro (element (ii)). [60] De richtlijn beoogt immers geen harmonisatie van de bescherming c.q. de verzameling beschermde objecten. Maar zelfs indien de door Vitra voorgestane interpretatie van dit arrest juist zou zijn, baat dit haar niet omdat (de implementatiebepalingen van) de Duurrichtlijn de toepassing van art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie, ook van de materiële-reciprociteitstoets in die bepaling, onverlet laat (vgl. element (iv)). [61]
- i) dat, voor zover in Nederland en België auteursrechtelijke bescherming voor de DSW wordt ingeroepen, op grond van art. 5 Berner Pro Conventie Nederlands respectievelijk Belgisch auteursrecht van toepassing is, waarbij de DSW als ‘buitenlands werk’ in beginsel niet mag worden achtergesteld (hoofdstuk VII);
- ii) dat de DSW naar Nederlands en Belgisch auteursrecht moet worden aangemerkt als een ‘werk van kunst’ c.q. een werk van toegepaste kunst zodat zij in deze landen in beginsel in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming (hoofdstuk VIII);
- iii) dat evenwel, nu het land van oorsprong van de DSW de Verenigde Staten is, de materiële-reciprociteitstoets in art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie in beeld komt (hoofdstuk VIII); en
- iv) dat de door Vitra aangevoerde argumenten waarom art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie niet van toepassing zou zijn (art. 3 TRIPs Pro-Overeenkomst, art. 2 Verdrag Pro van Parijs en de Duurrichtlijn in combinatie met het
hoede desbetreffende auteursrechtelijke of modelrechtelijke bescherming wordt vormgegeven. Dit is tot uitdrukking gebracht in de zinsnede dat de Unielanden zelf de ‘voorwaarden voor de bescherming’ van deze voortbrengselen mogen bepalen. Dit beginsel werd reeds in de Berlijnse versie van de conventie neergelegd [67] en is nadien uitdrukkelijk gehandhaafd. [68] Het eenvormige auteursrecht in de Berner Conventie (ius conventionis) is ten aanzien van werken van toegepaste kunst dus niet van toepassing (op één uitzondering na). [69] Een Unieland mag dus bijvoorbeeld voor werken van toegepaste kunst een auteursrechtelijke regeling hanteren die afwijkt van de regeling voor andere werken van letterkunde en kunst (die bijvoorbeeld kariger is).
Voor zover deze bepaling niet van toepassing is, is volgens Vitra – sinds 22 maart 2017, toen het U.S. Supreme Court een baanbrekende uitspraak deed over de auteursrechtelijke bescherming van voorwerpen van vormgeving – voldaan aan de door de materiële-reciprociteitstoets gestelde eis dat het voorwerp in zijn land van oorsprong wordt gekwalificeerd als werk van toegepaste kunst. [72] Het hof zal daarom eerst onderzoeken of de vangnetbepaling van toepassing is.
overgangsrechtelijke lading: voor deze voorwerpen is er nooit een moment in de tijd geweest waarop zij in Nederland en België überhaupt in aanmerking konden komen voor bescherming krachtens BTMW/BVIE. Zoals Vitra opmerkt, geldt voor deze groep voorwerpen dat de wetgever de mogelijkheid van een depot pas heeft gecreëerd na de nieuwheidsschadelijke openbaarmaking, zodat bij de invoering van de BTMW bij voorbaat vaststond dat zij, los van de modelrechtelijke merites en los van de keuze van de ontwerper om al dan niet modelbescherming aan te vragen, nooit door een modelinschrijving zouden kunnen worden beschermd. [77] Voor deze voorwerpen heeft nooit een modelrechtelijk beschermingsregime bestaan.
travaux préparatoiresvan het verdrag (art. 32).
doelvan de regeling in art. 2 leden Pro 1 en 7 van de Berner Conventie, zoals ontworpen tijdens de herzieningsconferentie in Brussel in 1948, is immers dat voortbrengselen van vormgeving in ieder geval voor bescherming in aanmerking komen:
hetzijauteursrechtelijke bescherming
hetzijmodelrechtelijke bescherming,
hetzijbeide. Zou men de vangnetbepaling hier niet toepassen, dan valt het voorwerp tussen wal en schip doordat het voor geen enkele bescherming in aanmerking komt. Dat zou neerkomen op een onaannemelijke onevenwichtigheid die niet de bedoeling van de verdragsopstellers kan zijn geweest.
travaux préparatoiresvan de herzieningsconferentie in Stockholm in 1967. Men signaleerde toen dat de in 1948 ontworpen regeling een lacune bevat in het geval dat het land waarvoor de bescherming wordt ingeroepen, geen modelbeschermingsregeling kent; door deze lacune bleven die voorwerpen in het geheel verstoken van bescherming. [80] Die lacune wilde men dichten. Italië diende daartoe een voorstel voor een vangnetbepaling in. [81] Over dat voorstel werd in de notulen opgemerkt dat voorwerpen die in hun land van oorsprong alleen als model worden beschermd en daarom op grond van de materiële-reciprociteitstoets in de andere Unielanden ook alleen voor modelbescherming in aanmerking komen
would have to enjoy copyright protection in those countries of the Union which provided no special protection for designs and models. In that respect, the Italian proposal could be a valuable means offilling a gapin the Convention.’ [82]
buiten het temporele toepassingsgebiedvan de BTMW/BVIE, zulks door de werking van het nieuwheidsvereiste. Dat vereiste heeft voor hen een
overgangsrechtelijkelading. Voor deze voorwerpen bestaat dus ‘geen zodanige bijzondere bescherming’ [84] , zodat zij onder de vangnetbepaling vallen en alsnog in aanmerking komen voor auteursrechtelijke bescherming.
Impaganders beslist. [87] In de
Impagzaak werd in 1997 auteursrechtelijke bescherming voor Nederland ingeroepen voor voorwerpen (spellen) van vóór 1975. [88] Hun land van oorsprong was de Verenigde Staten. De president in kort geding en het hof oordeelden – de materiële-reciprociteitstoets in het midden latend – dat deze voorwerpen in Nederland voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kwamen op grond van de vangnetbepaling in art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie. Over dat oordeel werd in cassatie geklaagd: volgens het cassatiemiddel had het hof ten onrechte de vangnetbepaling toegepast. De daarop gerichte klachten hadden succes. De Hoge Raad oordeelde:
Impaguitspraak voor de onderhavige zaken niet van belang. Zij betoogt daartoe kort gezegd dat in de
Impagzaak niet het argument ter tafel is gekomen dat in de onderhavige zaken wordt bepleit, namelijk dat het nieuwheidsvereiste meebrengt dat oude voorwerpen buiten het temporele toepassingsgebied van deze regelingen vallen en dat voor hen dus nooit een modelrechtelijke regeling heeft bestaan, zodat zij onder de vangnetbepaling vallen. Omdat dit argument in de
Impagzaak niet aan de orde is geweest, en omdat de advocaat-generaal voorstelde het middelonderdeel op een andere grond te laten slagen, is er volgens Vitra ruimte om in de onderhavige zaken anders te oordelen.
Impagzaak niet ter tafel zou zijn geweest – dat valt voor het hof niet na te gaan –, neemt dat niet weg dat de Hoge Raad duidelijk voornoemde rechtsregel heeft gegeven en die regel niet heeft geclausuleerd of gemotiveerd. Welke argumenten in de
Impag-(cassatie)procedure aan bod zijn geweest, is dan niet van belang.
Impagarrest van de Hoge Raad aldus verstaan.
Impagarrest van de Hoge Raad. Dat betekent dat de DSW niet onder de vangnetbepaling valt. Grief 5 moet dus falen.
alleenbescherming als tekening of model kan krijgen (en dus niet (ook) auteursrechtelijke bescherming als werk van kunst) in een ander Unieland slechts de bijzondere bescherming worden ingeroepen die in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend (en dus niet de auteursrechtelijke bescherming). Deze materiële-reciprociteitstoets stelt dus een eis aan auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst: zij kunnen alleen voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen indien zij in hun land van oorsprong ook voor bescherming als werk van toegepaste kunst in aanmerking komen. [90]
het concrete, litigieuze voorwerpin het land van oorsprong, of op de behandeling van
werken van toegepaste kunst in het algemeen of voor een bepaalde categorie voorwerpenin het land van oorsprong? Het eerste wordt ook wel de ‘concrete toets’ genoemd, het tweede de ‘abstracte toets’; deze terminologie is evenwel niet aan te raden omdat de termen ‘concreet’ en ‘abstract’ in verband met art. 2 lid 7 ook Pro in andere betekenissen (kunnen) worden gebruikt. Over deze vraag is in de literatuur, de rechtspraak en ook in de onderhavige zaken gediscussieerd. [91]
Mag Instruments/Edcogeoordeeld dat het gaat om de behandeling van het concrete voorwerp. [92] Dit hof heeft nadien, in de zaak
Simba/Hasbro,ook geoordeeld dat de materiële-reciprociteitstoets in art. 2 lid 7 zich Pro richt op het litigieuze voorwerp. [93]
de DSWin de Verenigde Staten wordt behandeld.
nieteen zogeheten
relatievemateriële-reciprociteitstoets is, dat wil zeggen een toets waarbij de behandeling van het vreemde voorwerp onder de lex loci protectionis naar beneden toe wordt bijgesteld naar het inferieure niveau van de behandeling in het land van oorsprong (‘het vreemde werk krijgt bij ons niet meer bescherming dan het in zijn eigen land krijgt’). De toets van art. 2 lid 7 is Pro daarentegen een zogeheten
absolutemateriële-reciprociteitstoets, dat wil zeggen een toets die een inhoudelijke eis stelt aan de behandeling in het land van oorsprong: is aan die eis voldaan, dan wordt de aan reciprociteit onderworpen regel toegepast; is niet aan de eis voldaan, dan wordt die regel niet toegepast (alles-of-niets). Dit blijkt uit de tekst van de bepaling alsmede uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling. Destijds, tijdens de Brusselse conferentie in 1948, werd op aandringen van Frankrijk door de subcommissie voor werken van toegepaste kunst een relatieve materiële-reciprociteitstoets voorgesteld: een toets
‘quant aux conditions, à l’étendue, à la nature et à la durée de la protection’.De voorgestelde bepaling luidde:
welkeeis precies wordt gesteld. Eist deze toets alleen dat het litigieuze voorwerp in het land van oorsprong wordt gekwalificeerd als een ‘werk van toegepaste kunst’ dat in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming, of eist zij meer, namelijk dat het litigieuze voorwerp in het land van oorsprong feitelijk ook auteursrechtelijke bescherming geniet? [97] Zou laatstgenoemde eis worden gesteld, dan zou een voorwerp dat in het land van oorsprong wél als werk van toegepaste kunst wordt aangemerkt maar dat bijvoorbeeld niet meer wordt beschermd omdat de beschermingsduur ondertussen is verstreken, op grond van deze toets dus niet worden beschermd in het land waarvoor de bescherming worden ingeroepen.
kwalificatievan het voorwerp: vereist, en tevens voldoende is dat het concrete voorwerp in het land van oorsprong wordt aangemerkt als ‘werk van toegepaste kunst’, dat in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming. Dan staat het auteursrechtelijke spoor (beschermingsregime) voor dat voorwerp open.
au fonddraait om de vraag (hoe het voorwerp wordt gekwalificeerd en dus) welk beschermingsregime geldt voor een dergelijk voorwerp, en past ook in de systematiek van art. 2, dat gaat over de vraag welke voorwerpen als auteursrechtelijk beschermde werken worden aangemerkt.
relatievemateriële-reciprociteitstoets die Frankrijk destijds voorstelde en die de verdragsopstellers nu juist niet hebben overgenomen.
dátUnielanden auteursrechtelijke bescherming openstellen voor voortbrengselen van vormgeving (dus: het gaat om de kwalificatie als werk van toegepaste kunst), niet
hoedie auteursrechtelijke bescherming is vormgegeven (dat laat de conventie nadrukkelijk over aan de Unielanden).
kwalificatievan het concrete voorwerp in het land van oorsprong: wordt het aldaar alleen aangemerkt als tekening of model, of (ook) als werk van toegepaste kunst dat in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming? Voor de kwalificatie als werk van toegepaste kunst is vereist dat het voorwerp in het land van oorsprong naar het aldaar geldende recht (dus inclusief rechtspraak) wordt aangemerkt als ‘werk van letterkunde of kunst’ en dat het voldoet aan de daaraan gestelde eisen betreffende oorspronkelijkheid, zodat het voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Het is de bedoeling dat de rechter dit beoordeelt op de manier waarop de rechter in het land van oorsprong dat zou doen. [101] Alleen als het voorwerp in het land van oorsprong aldus (ook) als werk van toegepaste kunst wordt aangemerkt, doet de lex loci protectionis dat ook.
daadwerkelijkauteursrechtelijke bescherming geniet. [102] Wordt, bijvoorbeeld, een bepaald werk in het land van oorsprong aangemerkt als werk van toegepaste kunst, maar wordt het daar niet meer beschermd omdat de beschermingsduur ondertussen is verstreken [103] of omdat niet is voldaan aan een toegelaten formaliteit [104] , dan is toch voldaan aan de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid Pro 7.
Mag Instruments/Edco-arrest van de Hoge Raad moet aldus worden verstaan.
‘bijzondere bescherming [kan] worden ingeroepen welke in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend.’Daarmee wordt gedoeld op specifieke (sui generis) modelrechtelijke bescherming, en niet op een (mogelijk apart) auteursrechtelijk beschermingsregime. [105] In zoverre faalt grief 3. [106]
Star Athletica v. Varsity Brands(hierna: de
Star Athletica-uitspraak). [108] Volgens Vitra brengt deze uitspraak mee dat de DSW thans naar Amerikaans recht als werk van toegepaste kunst kan worden gekwalificeerd.
feitelijkgeen auteursrechtelijke bescherming heeft genoten in de Verenigde Staten. Onder de toenmalige Copyright Act 1909 – die gold ten tijde van de creatie en publicatie van de DSW rond 1950 – kon een auteursrecht alleen ontstaan als was voldaan aan het vereiste dat alle exemplaren zijn voorzien van een
copyright notice.Aan dat vereiste is destijds niet voldaan omdat naar de toen in de Verenigde Staten gangbare opvattingen meubels niet vatbaar waren voor auteursrechtelijke bescherming. Inmiddels zijn constitutieve formaliteiten in de Verenigde Staten afgeschaft, maar (voor Amerikaanse werken) niet met terugwerkende kracht. Voor de DSW is daarom feitelijk nooit een geldig auteursrecht gevestigd in de Verenigde Staten, aldus Vitra. [110]
feitelijkgeen auteursrechtelijke bescherming heeft genoten in de Verenigde Staten.
Mag Instruments/Edco-arrest overwoog de Hoge Raad dat het in de eerste plaats de partijen zijn die de rechter in dit verband (zo nodig) de gegevens omtrent het recht van het land van oorsprong zullen hebben te verschaffen. Dat hebben partijen in deze zaken gedaan. Vitra heeft in dit verband onder meer een
expert reportovergelegd van professor P. Goldstein, hoogleraar auteursrecht aan Stanford Law School (hierna: Goldstein). [111] Kwantum c.s. heeft onder meer twee
statementsovergelegd van M.S. Reiner, intellectuele-eigendomsrecht advocaat te New York (hierna: Reiner). [112] Eerder, in eerste aanleg, had Kwantum c.s.
legal opinionsovergelegd van C.M.R van der Zandt, advocaat te New York. [113]
‘pictorial, graphic, and sculptural work’. [115] Daarbij gaat het alleen om vormgevingskenmerken (‘
pictorial, graphic, or sculptural features’) die los kunnen worden gezien van (‘
that can be identified separately from’), en onafhankelijk kunnen bestaan van (‘
are capable of existing independently of’)de aspecten die het voorwerp zijn intrinsieke bruikbaarheid verlenen (‘
the utilitarian aspects of the article’). Dit is het zogeheten separabiliteitscriterium.
‘pictorial, graphic, and sculptural work’c.q. werk van toegepaste kunst.
Star Athletica-uitspraak. De DSW dateert van rond 1950, dus zelfs nog van voor de uitspraak
Mazer v. Stein(1954) waarin het Supreme Court oordeelde dat – onder de Copyright Act 1909 – vormgeving van gebruiksvoorwerpen ook voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kan komen. [116]
Star Athleticaheeft het Supreme Court zich voor het eerst uitgelaten over de interpretatie van het separabiliteitscriterium. Het Hof maakte expliciet dat het daarover duidelijkheid wilde scheppen:
Star Athleticaeen tweeledige toets voor het separabiliteitscriterium. [118] Toegespitst op driedimensionale gebruiksvoorwerpen komt dit op het volgende neer.
‘separate identification’) houdt in dat moet worden vastgesteld dat het gebruiksvoorwerp twee- of driedimensionale elementen bevat die ‘
pictorial, graphic, or sculptural qualities’lijken te hebben. Dit vereiste is
‘not onerous’.
‘independent-existence’,dat
‘ordinarily more difficult to satisfy’is. Dit houdt in:
‘conceptual undertaking’is (zo wordt dus geen fysieke scheidbaarheid vereist) en dat bij de toepassing van het separabiliteitscriterium de focus moet liggen op het los gedachte vormgevingskenmerk en niet op het denkbeeldig resterende gebruiksvoorwerp. De vraag is of het los gedachte vormgevingskenmerk op zichzelf kan worden aangemerkt als een ‘
nonuseful pictorial, graphic, or sculptural work’. [120] Het denkbeeldig resterende gebruiksvoorwerp – waarbij het vormgevingskenmerk dus is weggedacht - hoeft geen
‘fully functioning useful article at all, much less an equally useful one’te zijn. [121] Daarmee verwierp het Supreme Court de benadering van het U.S. Copyright Office, waarbij werd geëist dat het vormgevingskenmerk en het gebruiksvoorwerp na
conceptual separationnaast elkaar kunnen bestaan als werk van kunst respectievelijk gebruiksvoorwerp. [122]
Star Athletica-benadering wordt toegepast op de DSW, leidt dat naar het oordeel van het hof tot het volgende.
‘useful article’als bedoeld in § 101 van de Copyright Act.
‘separate identification’) kan worden vastgesteld dat de DSW, zoals Vitra stelt, de volgende (combinatie van) vormgevingskenmerken bevat: (i) de vorm van de buitenrand van de zitkuip, (ii) de contouren die zijn aangebracht rondom de vier poten (vier ranke, ronde, schuin naar binnen geplaatste houten poten) en (iii) het arrangement van in een kubusvorm geplaatste kruisende lijnen dat tussen de poten is aangebracht. Dit zijn ‘
three-dimensional elements that appear to have sculptural qualities’.
‘independent-existence’), rijst de vraag of de combinatie van deze vormgevingskenmerken, los gedacht van het gebruiksvoorwerp, kan bestaan ‘
as its own sculptural work as defined in §101’.Naar het oordeel van het hof is dat het geval. Dat de combinatie van deze vormgevingskenmerken grotendeels samenvalt met de vorm van het gebruiksvoorwerp (een stoel) is geen beletsel. [124] Dat betekent dat de vormgeving van de DSW thans in de Verenigde Staten wordt aangemerkt als ‘work of authorship’ c.q. ‘sculptural work’ als bedoeld in § 102(a) Copyright Act. Tot deze conclusie komt ook Goldstein in zijn hiervoor genoemde rapport. Aan het voorgaande wordt niet afgedaan door hetgeen Kwantum c.s. in dit verband heeft aangevoerd, met inbegrip van de
legal opinionsvan Reiner en Van der Zandt.
Feist v. Rural Telephone Service. [126] Daarin overwoog dit Hof:
‘exact or close copies’. De vraag naar de beschermingsomvang in het land van oorsprong is, zoals Vitra terecht opmerkt, evenwel niet van belang bij de toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie. [127] Deze toets stelt alleen de eis dat het voorwerp in zijn land van oorsprong wordt gekwalificeerd als werk van toegepaste kunst dat in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming. Voor het overige is het recht van het land van oorsprong niet van belang voor de bescherming in de andere Unielanden, zoals het onafhankelijkheidsbeginsel ook voorschrijft. [128]
Star Athletica-uitspraak van 22 maart 2017. Die uitleg betreft de Copyright Act 1976, die op 1 januari 1978 in werking trad. Denkbaar is dat moet worden aangenomen dat de door het Supreme Court gegeven uitleg – uitleg van bestaand recht – zich uitstrekt tot die datum.
Star Athletica-uitspraak veel onduidelijkheid en verwarring bestond over de vraag of vormgeving van gebruiksvoorwerpen voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt en dat een grote terughoudendheid werd betracht. Niet zonder reden overwoog de Supreme Court dat het deze zaak in behandeling nam ‘
to resolve widespread disagreement over the proper test for implementing § 101’s separate-identification and independent-existence requirements.’ [129] Vitra ziet de
Star Athletica-uitspraak dan ook als een ‘radicale’ verandering, een ‘koerswijziging’ die ‘baanbrekend’ is, terwijl ‘voorheen in de praktijk een vermoeden van onbeschermbaarheid van (met name) driedimensionale vormgeving van gebruiksvoorwerpen gold’. Aangenomen moet worden dat de vormgeving van de DSW in het pre-
Star Athletica-tijdperk, gelet op de toenmalige stand van de rechtspraak (en de toenmalige praktijk van de US Copyright Office), niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kwam. Partijen zijn daar in de onderhavige zaken ook van uitgegaan, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
Star Athletica-uitleg zich ook uitstrekt tot 1 januari 1978 kan evenwel in het midden blijven nu Vitra aan haar betoog inzake de materiële-reciprociteitstoets ten grondslag legt dat aan de door die toets gestelde eis is voldaan
sindsde
Star Athletica-uitspraak; voor die tijd gold de DSW in de Verenigde Staten als auteursrechtelijk onbeschermbaar en werd zij om (uiteindelijk) deze reden auteursrechtelijk ook niet beschermd, aldus Vitra. Vitra’s auteursrechtelijke vorderingen, voor zover gebaseerd op de stellingname dat is voldaan aan de eis van de materiële-reciprociteitstoets, zien, naar het hof begrijpt, dan ook op de periode vanaf 22 maart 2017. Deze vorderingen kunnen dus, gelet op het voorgaande, worden toegewezen.
post mortem auctorisvoor (art. 1 Duurrichtlijn Pro), maar ook stelt zij de duurvergelijking (de toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 7 lid 8 Berner Pro Conventie) verplicht voor zover het gaat om werken waarvan het land van oorsprong geen lidstaat van de Europese Unie is en de auteur geen onderdaan van een lidstaat is, zoals de DSW (art. 7 lid 1 Duurrichtlijn Pro).
‘Deed of Transfer of Ownership’, hierna: de
deed) in eerste aanleg in het geding gebracht.
deedvan 1 oktober 2004 en uit andere stukken die Vitra in het geding heeft gebracht (producties V-5a tot en met 5c). Voor zover Kwantum c.s. dit heeft betwist, is die betwisting naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen en genoemde stukken van Vitra.
deedvan 1 oktober 2004 (zie hiervoor in 4.4).
deed, die is ondertekend door Lucia Eames en namens Vitra, worden meerdere rechten aan Vitra overgedragen. De overdracht van deze rechten heeft betrekking op een reeks landen waaronder Nederland en België (punt 2, Annex I).
‘HM Products’(punt 1.2 tot en met 1.5) en in de tweede plaats de overdracht van rechten
‘in additional products as more particularly set forth on Annex II’(punt 1.6).
‘ Eames Plastic Sidechair with various bases’. Daarmee wordt gedoeld op de groep stoelen waartoe ook de DSW behoort; dit heeft Kwantum c.s. niet (voldoende gemotiveerd) betwist. [134] Een nadere specificatie is daarvoor niet vereist. Dit betekent dat krachtens de
deedde auteursrechten ter zake van de DSW voor Nederland en België in 2004 zijn overgedragen aan Vitra. Aldus moet deze
deedworden uitgelegd (niet alleen naar Nederlands recht maar ook) naar het door partijen gekozen Zwitserse recht (art. 10 lid 1 sub a EVO Pro-Verdrag). [135]
deed), is die betwisting naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen van Vitra en de door Vitra overgelegde
deed.
‘We work closely with the only two authorized manufacturers of Eames products: [de producent] Inc. and Vitra International’volgt niet dat de Eames Office rechthebbende is, zoals Kwantum c.s. lijkt te betogen. Daaruit blijkt alleen dat er twee ‘
authorized manufacturers’zijn, niet wie de rechthebbende is die hen heeft geautoriseerd. Die mededeling is, anders dan de
deedvan 1 oktober 2004, ook niet bedoeld om juridisch vast te leggen wie de rechthebbende is op welke ontwerpen van het echtpaar Eames . Voor zover de gebruikte formulering ‘
authorized manufacturer’op een licentierelatie duidt, kan die formulering daarom niet zwaarder wegen dan de tekst van een overeenkomst.
Mag Instruments/Edco-arrest volgt dat de rechtsbescherming zoveel mogelijk gelijk moet zijn aan de rechtsbescherming in het land van oorsprong, zodat de volgens haar zeer geringe beschermingsomvang in de Verenigde Staten ook in Nederland moet worden toegepast, berust op een onjuiste lezing van dit arrest. De Hoge Raad overwoog immers dat wanneer is voldaan aan de eis gesteld door de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie, de rechter vervolgens
naar de hier te lande geldende regelszal hebben te oordelen over de auteursrechtelijke bescherming in Nederland.
De op auteursrechtinbreuk gebaseerde vorderingen van Vitra kunnen, voor de periode vanaf 22 maart 2017, worden toegewezen voor Nederland en België, zoals hierna in hoofdstuk XXI zal worden overwogen. [139] Voor zover deze vorderingen betrekking hebben op de periode voor 22 maart 2017 (gebaseerd op de stelling dat art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie niet van toepassing is, dan wel gebaseerd op de stelling dat de vangnetbepaling van toepassing is), moeten zij worden afgewezen.
grieven 6 tot en met 11valt Vitra verschillende onderdelen van het oordeel van de rechtbank betreffende slaafse nabootsing aan.
Burgers/Basil, waarin werd overwogen dat twijfel mogelijk is over de vraag of naast de bescherming die deze verordening biedt, nog wel plaats is voor aanvullende, verder strekkende bescherming van het uiterlijk van een gebruiksvoorwerp op grond van het leerstuk van slaafse nabootsing. [141]
All Round/Simstarsmoet worden afgeleid dat negatieve reflexwerking is uitgesloten, kan dus in het midden blijven. [142] Datzelfde geldt voor het arrest
Marquet/Oracvan het Belgische Hof van Cassatie. [143]
All Round/Simstars-arrest overwoog de Hoge Raad dat het eigen-gezicht-vereiste inhoudt dat het nagebootste product zich in uiterlijke verschijningsvorm onderscheidt van andere, gelijksoortige producten op de relevante markt (ook wel ‘het Umfeld’ genoemd). De mate waarin het product zich dient te onderscheiden van die gelijksoortige producten om bij het verschijnen van nabootsingen ervan een gevaar voor verwarring te kunnen doen ontstaan, hangt onder meer af van de aard en de hoeveelheid gelijksoortige producten die zich op dat moment op de desbetreffende markt bevinden.
Umfeldworden vastgesteld. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen (i) de stoelen die gelijksoortig zijn maar geen slaafse nabootsingen en (ii) slaafse nabootsingen.
DSW Kuipstoel Eames Side Chair Wit Wood’, ‘
Eames DSW chair replica’, ‘
DSW stoel wit (…) let op : dit is een replica (geïnspireerd op een ontwerp uit de jaren ’50) en geen origineel’ en ‘
Eames Style DSW’. Alleen de stoelen die in de memorie van grieven par. 739, derde streepje (p. 181-182), zijn afgebeeld, zijn blijkens haar stellingen volgens Vitra geen slaafse nabootsing, maar wel gelijksoortig. [148] Dit zijn stoelen die onder meer door
FurnLABen
designmeubelenstyle.nlworden aangeboden. Kwantum c.s. heeft dit een en ander niet (voldoende gemotiveerd) betwist, zodat dit als vaststaand moet worden aangenomen.
onder omstandigheden (…) [kan] worden gevergd dat zij zich de nodige inspanningen getroost om deze nabootsingen van de markt te weren, teneinde haar product het eigen gezicht op de markt te doen behouden. Het hangt van de omstandigheden van het geval af welke mate van inspanning van de betrokken partij kan worden gevergd. Evenwel kan over het algemeen niet van deze partij worden verlangd dat zij alle concurrenten die nabootsingen op de markt brengen tegelijk en zonder onderscheid aanpakt, ongeacht bijvoorbeeld hun marktaandeel.’ [150] Het gaat dus om een inspanningsverplichting en niet - zoals Kwantum c.s. betoogt - om resultaatsverplichting. Bovendien geldt deze verplichting niet altijd (‘onder omstandigheden’).
blogsbevindt waarop auteurs schrijven over replica’s van de DSW. Vitra onderneemt hiertegen geen handhavingsactie omdat er geen nabootsingen te koop worden aangeboden. Kwantum c.s. heeft dat op zichzelf niet betwist. Naar het oordeel van het hof moeten deze voorbeelden inderdaad worden geëcarteerd.
Umfeld.
blogsen de Google-zoekresutaten worden geëcarteerd. Dat geldt ook voor foto’s en screenprints waarvan niet is aangegeven welke website of winkel zij betreffen.
martkplaats.nlen
speurders.nlbevindt. Tegen dergelijke aanbiedingen treedt Vitra in de regel niet op omdat het eenmalige, kortdurende aanbiedingen zijn van doorgaans anonieme particulieren, die geen noemenswaardige marktimpact hebben. Het ondernemen van handhavingsactie, inclusief het achterhalen van de identiteit van de aanbieder, is dan buitengewoon moeilijk en kostbaar in vergelijking met het nut van zo’n actie, aldus Vitra. Kwantum c.s. heeft dat op zichzelf niet betwist. Naar het oordeel van het hof, mede in aanmerking nemende dat het om welgeteld twee advertenties gaat, kon van Vitra dan inderdaad niet worden gevergd dat zij in deze gevallen optrad.
deentje.nlheeft zij met succes rechtsmaatregelen genomen, hetgeen heeft geleid tot een schikking waarbij de handel in nabootsingen van de DSW is gestaakt, aldus Vitra, die ook het door de rechter toegestane beslagverzoek in het geding heeft gebracht. [151] Dit is door Kwantum c.s. niet betwist, zodat dit als vaststaand wordt aangenomen.
designerchairs.nl,
furnicons.com,zodat ook dit als vaststaand wordt aangenomen. [152]
fakeadressen, anonieme domeinnaamregistraties, niet-traceerbare betaal- en verzendmethodes, enz. Vitra stelt dat zij een aantal van dergelijke partijen heeft gesommeerd maar dat het feitelijk vrijwel onmogelijk is om op te treden, dat een eventuele veroordeling niet effectief kan worden ten uitvoer gelegd, en dat de impact van dergelijke websites op de Nederlandse markt gering is. Daarbij stelt Vitra ook dat de website
voga.comuiteindelijk door haar inspanningen en die van andere meubelproducenten niet meer in diverse talen, waaronder Nederlands, beschikbaar is en zich alleen nog richt op de Engelse markt waarbij consumenten de aangeschafte meubels zelf in Engeland moeten afhalen. Voga is geen serieuze speler op de Nederlandse en Belgische markt, aldus Vitra. Dit alles is door Kwantum c.s. niet voldoende gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof kon van Vitra in dit licht niet worden gevergd dat zij in deze gevallen optrad.
allesvoordehelft.nl,
meubelenonline.nl, designkuipstoel.nl, dutchfurn.nlen
furnispot.com.Gelet op de betwisting door Kwantum c.s. moet worden aangenomen dat Vitra tegen deze aanbieders niet is opgetreden. Daarbij moet worden opgemerkt dat Vitra volgens Kwantum c.s.
allesvoordehelft.nlwel heeft aangeschreven doch niet voor de DSW.
Umfeldte worden gerekend althans doen geen afbreuk aan het eigen gezicht van de DSW. Voor zover de resterende slaafse nabootsingen (zie hiervoor in 202) wel tot het
Umfeldmoeten worden gerekend, brengen zij naar het oordeel van het hof – mede het
Umfeldals geheel in aanmerking nemend – niet mee dat het eigen gezicht van de DSW zodanig is ‘verwaterd’ dat Vitra thans niet meer kan optreden tegen de Paris-stoel.
All Round/Simstars-arrest. In zoverre slagen de grieven 7 tot en met 10. Grief 6 behoeft, gelet op de eiswijziging van Vitra in hoger beroep, geen behandeling.
Umfeldaandraagt, dat veelvuldig de naam DSW en/of Eames wordt genoemd bij aanprijzingen van slaafse nabootsingen.
Marquet/Orca(over de voorloper van deze bepaling) van belang. [155] Het Hof overwoog:
assurancedient te geven dat de opgave een getrouwe weergave van de werkelijkheid is, niet toewijzen; een accountant kan op grond van zijn gedragsregels in een situatie als deze slechts bevestigen dat de opgave overeenkomt met de desbetreffende administratie. [156] Het hof zal Kwantum c.s. bevelen opgave te doen en deze opgave te voorzien van een door een onafhankelijke registeraccountant opgesteld rapport van feitelijke bevindingen naar aanleiding van een vergelijking van de opgave van Kwantum c.s. met de administratie van Kwantum c.s., zonder
assuranceover de volledigheid en betrouwbaarheid van die administratie en opgave. [157] Het hof gaat er vanuit dat de op te leggen dwangsom voldoende is om Kwantum c.s. te bewegen een juiste opgave te doen.
grieven 12 en 14.
LMR-arrest heeft geoordeeld dat de rechter de taak heeft ambtshalve te beslissen over de toewijsbaarheid van de proceskosten en de hoogte daarvan. [158] Ingevolge art. 1019h Rv wordt de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd veroordeeld in redelijke en evenredige proceskosten die de in het ongelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Het hof ziet in dit geval aanleiding om de Indicatietarieven in IE-zaken voor de rechtbanken 2017 (anticiperend) toe te passen (1 april 2017). Gelet op de complexiteit van de onderhavige zaken, waarbij complexe rechtsvragen en de toepassing van (gecompliceerd) buitenlands recht aan de orde zijn, alsmede gelet op de omvang van de processtukken, is naar het oordeel van het hof sprake van een bijzonder geval als bedoeld in punt 7 onder (b) van de Indicatietarieven in IE-zaken voor de rechtbanken 2017. Het hof zal daarom uitgaan van het dubbele van het standaardtarief voor complexe zaken, derhalve van € 80.000,-. [159] Dat betekent dat voor het IE-deel een bedrag van (90% van € 80.000,- is) € 72.000,- zal worden toewezen.
grief 13keert zij zich tegen het oordeel van de rechtbank dat, bij gebreke van een specificatie, deze kosten worden begroot conform het liquidatietarief (rov. 4.50 en 4.61 van het bestreden vonnis). In hoger beroep heeft zij deze specificatie alsnog ingediend; zij maakt aanspraak op een bedrag van € 8.977,-.
Blijkens haar specificatie vordert Vitra een bedrag van € 31.897,98 aan verschotten. Dit is niet betwist. Het hof zal dit bedrag toewijzen (minus € 1.450,- aan griffierechten, die afzonderlijk worden toegewezen; dus € 30.447,98). Het gaat in ieder zaak dus om een bedrag van € 15.223,99.
- (v) beveelt Kwantum c.s. alle thans nog in het bezit van Kwantum c.s. zijnde Paris-stoelen ter vernietiging af te geven aan Vitra op een door Vitra te specificeren adres in Nederland;
- (vi) veroordeelt Kwantum c.s. om aan Vitra een dwangsom te betalen van € 2.500,- voor iedere dag, daaronder begrepen een dagdeel, waarop Kwantum c.s. in gebreke blijft geheel of gedeeltelijk aan het hiervoor in (v) gegeven bevel te voldoen, met een maximum van € 100.000,-;