Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 4 juni 2019
[appellant],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Het is een redelijk getrouw beeld van de afspraken. Ik heb wat aanpassingen gedaan ter uw rechtsbescherming en links en rechts wat puntjes op de i gezet. Zie bijlage. Ik heb het gedaan in Word met wijzigingen bijhouden.
1. De hiervoor weergegeven afspraken gelden als uitgangspunt voor alle zaken die op dit moment bij de rechtbank Arnhem lopen, waarin de heer [naam gemachtigde] gemachtigde is, de belanghebbende de heer [appellant] is en de verweerder Belastingdienst Kantoor Utrecht is.(…)3. Voor de bespreking van de redelijke termijn geldt als einddatum in alle zaken 13 februari 2015.4. Alle overige zaken zullen ambtshalve worden afgehandeld conform de uitkomst van de onherroepelijke uitspraken van de zaken die zijn geselecteerd als proefprocedure.’’
voorbeeldbrief’’ luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
Namens de heer [appellant] (…) stel ik de Ontvanger der Rijksbelastingen hierbij in gebreke. (…) De betalingstermijn is na 4 weken na het sluiten van het compromis verlopen.
Toelichting berekening toekenning claim€121.5
500 per halfjaar. De berekening resulteert in een totaalbedrag van€
121.500.
500
33
500
35
500
46
500
4.5
500
1
119.5
2
121.5
bezwaarschrift’’ aan de Staat gezonden. In deze brief komt [appellant] op tegen (de berekening van) de hoogte van het door de Staat uitbetaalde bedrag aan immateriële schadevergoeding. Kort gezegd meent [appellant] dat de Staat hiermee een korting heeft toegepast die in strijd is met zijn betalingsverplichtingen onder de VSO. De Staat had zich bij de berekening van de immateriële schadevergoeding niet mogen beroepen op de volgens de Staat hiervoor relevante regel uit de jurisprudentie inzake de samenhang tussen de verschillende zaken (hierna: de Samenhangregel). Tevens wordt in dit schrijven (opnieuw) aanspraak gemaakt op betaling van de (buiten)gerechtelijke kosten en rente.
in conventie, kort gezegd, dat de Staat, uitvoerbaar bij voorraad, zou worden veroordeeld aan hem te betalen:
in conventieen tevens een (voorwaardelijke) eis
in reconventieingesteld, inhoudende dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 46.000,-- te vermeerderen met invorderingsrente, en de kosten van deze procedure. Aan laatstgenoemde vordering heeft de Staat het volgende ten grondslag gelegd. Indien de rechtbank zou oordelen dat met de VSO is bedoeld de fiscale procedures gelijkluidend – en dus identiek – aan de uitkomst van de proefprocedure af te handelen, betekent dit dat [appellant] slechts aanspraak kan maken op EUR 75.500,--. In de proefprocedure is immers een bedrag van € 500,-- aan immateriële schadevergoeding toegekend, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 75.500,-- (151 procedures x € 500,--). Nu de Staat reeds € 121.500,-- aan [appellant] heeft betaald, is hiermee € 46.000,-- te veel betaald (€ 121.500,-- minus
€ 75.000,--).
Grief 1komt op tegen de uitleg door de rechtbank van de VSO middels het Haviltex-criterium.
Grief 2is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het Haviltex-criterium leidt tot toepassing van de Samenhangregel. Met
grief 3voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] moet bewijzen dat van samenhang – als bedoeld in de Samenhangregel – tussen de fiscale procedures geen sprake is.
Grief 4is gericht tegen het oordeel dat [appellant] niet bewezen heeft dat van een dergelijke samenhang geen sprake is.
Grief 5komt op tegen het feit dat de fiscale procedures niet inhoudelijk zijn beoordeeld, maar (desondanks) het standpunt van de Staat is gevolgd.
Grief 6is gericht tegen de omstandigheid dat in het bestreden vonnis geen melding is gemaakt van de voorwaardelijke eis in reconventie en het commentaar van [appellant] op het proces-verbaal van de comparitie in de eerste aanleg. Met
grief 7voert [appellant] aan dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten ten onrechte zijn afgewezen.
Grief 8is gericht tegen de uitgesproken proceskostenveroordeling.
Beoordeling grieven
Grieven 1 en 2lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
zijn verlies’’ te nemen als de proefprocedure in zijn nadeel was beslist. De Samenhangregel zou al dan niet in de onderlinge (fiscale) relatie van partijen van toepassing zijn geweest, maar juist door het sluiten van de civielrechtelijke VSO is deze (voormalige) rechtstoestand niet langer relevant. Indien [appellant] bekend was geweest met de uitleg van de VSO die de Staat voor ogen stond, had hij ervoor gekozen om de fiscale procedures voort te zetten, waarbij de kans zeer groot was dat de termijnoverschrijdingen daardoor ernstig waren toegenomen.
uitgangspunt’’ en “
conform’’ in de VSO staat hieraan in de weg. De samenhangregel over de proceskosten – waarover in de VSO wel een afspraak is gemaakt – betreft een hele andere (rechts)regel dan de Samenhangregel. Dat over eerstgenoemde samenhangregel wel iets in de VSO staat vermeld, betekent dus niet dat de Samenhangregel bewust niet hierin is opgenomen. Het feit dat op grond van art. 7:900 BW Pro kan worden afgeweken van een rechtsverhouding die eerder tussen partijen gold, houdt niet in dat er ook daadwerkelijk is c.q. wordt afgeweken van de bestaande juridische situatie. Indien moet worden aangenomen dat met de VSO (wel) is bedoeld af te spreken dat de fiscale procedures identiek aan de proefprocedure worden afgehandeld, meent de Staat – met een verwijzing naar de onderbouwing van haar (voorwaardelijke) reconventionele vordering – te veel te hebben betaald.
ambtshalve worden afgehandeld conform de uitkomst’’ van de proefprocedure. Anders dan [appellant] stelt, volgt uit (de letterlijke tekst van) deze afspraak niet (direct) dat daarmee ook tegelijk door partijen is overeengekomen dat in iedere afzonderlijke procedure, in afwijking van de hieronder te bespreken fiscale praktijk, een immateriële schadevergoeding wordt betaald. Dit was slechts anders geweest indien partijen in de VSO (expliciet) hadden afgesproken dat de Samenhangregel in hun relatie geen rol (meer) speelt. Dat partijen over een ander onderwerp - de proceskosten - wel een afspraak hebben gemaakt over de samenhang tussen verschillende zaken, maakt dit niet anders. Reeds hierom wordt het standpunt van [appellant] verworpen. Voor zover moet worden aangenomen dat de VSO op dit punt een leemte bevat, wordt als volgt geoordeeld.
grief 7op tegen de afwijzing van de door hem gevorderde buitengerechtelijke kosten. [appellant] wijst erop dat hij een incassokantoor de 106 ingebrekestellingen heeft laten verzenden en zijn gemachtigde bovendien hierover uitgebreid heeft gecorrespondeerd met de Staat. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten strookt wellicht niet met het bedrag dat op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, maar dit laat onverlet dat de vordering op onjuiste gronden is afgewezen. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van de grief.
Grief 8is gericht tegen de proceskostenveroordeling. Omdat [appellant] op goede gronden in het ongelijk is gesteld, faalt ook die grief.