Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:407

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
23/2715
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BPMArt. 9 Wet BPMArt. 8:45 AwbArt. 110 VWEUArt. 3.5 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens waardering en afschrijving personenauto’s

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd voor tien personenauto’s, waarbij de Inspecteur de afschrijving en waardering van de auto’s betwistte. Na een uitspraak op bezwaar waarbij de aanslag werd verminderd, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, maar belanghebbende ging in hoger beroep.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de door haar bepleite waardeverminderingen wegens meer dan normale gebruiksschade en het ontbreken van een RDW-oordeel over de kilometerstand terecht waren. Ook werden correcties op koerslijsten en het uurtarief voor schadeherstel niet geaccepteerd zonder onderbouwing.

Voor auto 2 werd vastgesteld dat de koerslijstmethode met toepassing van Eurotax-correcties leidde tot een lagere handelsinkoopwaarde dan de door de Inspecteur gehanteerde XRAY-rental koerslijst, waardoor de naheffing voor deze auto werd verminderd. Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de Inspecteur’s uitspraak, stelde de naheffingsaanslag lager vast en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het Hof verklaart het hoger beroep gegrond en vermindert de naheffingsaanslag BPM tot €18.397.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2715
uitspraakdatum: 20 januari 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 september 2023, nummer ARN 21/5273, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve processen/Team Auto bpm(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 9 april 2021 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 20.499 ter zake van tien personenauto’s.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 september 2021 het bezwaar gegrond verklaard en daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 18.443.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft verder de Staat veroordeeld aan belanghebbende te vergoeden een bedrag van € 500 voor geleden immateriële schade en een bedrag van € 837 aan proceskosten. Daarnaast heeft de Rechtbank de Staat opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 aan haar te vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. P.A.J.M. Lodestijn als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] en mr. [naam2] namens de Inspecteur.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft in de periode oktober 2020 tot en met december 2020 aangiften BPM gedaan in verband met de inschrijving in het Nederlandse kentekenregister van de volgende personenauto’s (hierna: de auto’s): een Ford Focus Wagon met kenteken [kenteken1] (auto 1), een Kia Sportage met kenteken [kenteken2] (auto 2), een Volvo V60 met kenteken [kenteken3] (auto 3), een Opel Mokka met kenteken [kenteken4] (auto 4), een Ford Focus Wagon met kenteken [kenteken5] (auto 5), een Opel Mokka met kenteken [kenteken6] (auto 6), een Opel Mokka met kenteken [kenteken7] (auto 7), een Opel Corsa met kenteken [kenteken8] (auto 8), een Nissan Qashqai met kenteken [kenteken9] (auto 9) en een Opel Mokka met kenteken [kenteken10] (auto 10).
2.2.
Volgens de aangiften heeft belanghebbende vanwege de gebruikte staat van de auto’s een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2020; hierna: de Wet BPM) in aanmerking genomen. Voor het bepalen van de hoogte van deze vermindering (de afschrijving) heeft zij gebruik gemaakt van de zogenoemde taxatiemethode als omschreven in artikel 10, lid 8, van de Wet BPM. Bij de aangiften zijn taxatierapporten gevoegd waarin schade is gecalculeerd.
2.3.
Bij het doen van de aangiften is belanghebbende uitgegaan van de onderstaande gegevens, die overeenkomen met de gegevens uit de taxatierapporten:
Datum eerste toelating
Kilometer-
stand
Historische nieuwprijs
Handelsinkoop-
waarde
(onbeschadigd)
Correctie op de handels-inkoopwaarde
In aanmerking te nemen % van de schade
Voldane BPM
Auto 1
8-4-2019
37.461
€ 33.900
€ 13.202
€ 8.753
95,4
€ 856
Auto 2
20-12-2019
16.171
€ 47.300
€ 23.805
€ 7.898
96,43
€ 3.748
Auto 3
24-6-2020
10.286
€ 53.670
€ 29.887
€ 8.354
96,7
€ 5.556
Auto 4
30-5-2019
28.773
€ 32.992
€ 15.925
€ 10.221
97,21
€ 1.740
Auto 5
28-3-2019
32.103
€ 33.900
€ 13.199
€ 9.107
96,82
€ 787
Auto 6
29-5-2019
26.895
€ 32.992
€ 15.991
€ 9.551
96,99
€ 1.964
Auto 7
23-5-2019
18.712
€ 35.848
€ 18.160
€ 9.222
97,31
€ 2.939
Auto 8
30-9-2019
14.342
€ 20.976
€ 10.033
€ 7.570
96,04
€ 673
Auto 9
5-2-2020
12.852
€ 43.090
€ 24.518
€ 6.295
96,63
€ 2.815
Auto 10
27-3-2019
31.551
€ 39.491
€ 17.838
€ 9.047
97,24
€ 3.101
De hiervoor genoemde correctie op de handelsinkoopwaarde omvat de correctie in verband met (meer dan normale) gebruiksschade, een correctie ‘conform XRAY matrix’ en een correctie in verband met ‘geen oordeel over de kilometerstand’.
2.4.
De Inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd de auto’s te tonen bij Domeinen Roerende zaken (DRZ). Belanghebbende heeft de auto’s getoond bij DRZ. DRZ heeft voor iedere auto zijn bevindingen vastgelegd in een afzonderlijk verslag. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ de naheffingsaanslag opgelegd. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag van € 20.449 als volgt berekend (bedragen in euro’s):
Auto 1
Auto 2
Auto 3
Auto 4
Auto 5
Auto 6
Auto 7
Auto 8
Auto 9
Auto 10
BPM
6.527
11.146
13.849
10.071
6.527
10.071
11.79
5.741
8.458
13.935
Historische nieuwprijs
33.9
47.3
53.67
32.347
33.9
32.347
37.247
21.044
43.625
37.346
Handels-inkoopwaarde (onbeschadigd)
13.202
23.458
29.562
15.925
13.01
15.991
18.434
9.745
26.138
17.838
Schade
1.989
-
2.748
1.255
2.876
447
-
1.108
249
1.306
Handels-inkoopwaarde (beschadigd)
11.213
23.458
26.814
14.67
10.134
15.544
18.434
8.637
25.889
16.532
Verschuldigde
BPM
2.158
5.296
6.918
4.567
1.95
4.763
5.834
2.253
4.917
5.972
Betaald op aangifte
856
3.748
5.556
1.74
787
1.964
2.939
673
2.815
3.101
Naheffing
1.302
1.548
1.362
2.827
1.163
2.799
2.895
1.58
2.102
2.871
De Inspecteur heeft de in de taxatierapporten opgevoerde correcties ‘conform XRAY matrix’ en de correcties in verband met ‘geen oordeel over de kilometerstand’ niet in aanmerking genomen.
2.5.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffing verminderd voor auto 6, 7 en 9, omdat voor deze auto’s volgens de Inspecteur bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aangesloten kan worden bij een koerslijst van Eurotaxglass’s (hierna: Eurotax) en op deze koerslijst een totale correctie van 15% kan worden toegepast vanwege de correcties ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’. Ten aanzien van auto 9 heeft de Inspecteur de naheffing verder ook (ambtshalve) verminderd, omdat bij de naheffingsaanslag de bruto BPM voor deze auto te hoog was vastgesteld. De Inspecteur heeft de nageheven BPM voor de auto’s 6, 7 en 9 vastgesteld op respectievelijk € 2.720, € 2.576 en € 494.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag – zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar – tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, en de Inspecteur ontkennend. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur zijn verzoek aan het Hof om met toepassing van artikel 8:45 van Pro de Algemene wet bestuursrecht belanghebbende te verplichten bepaalde stukken over te leggen, laten varen.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
dat ten aanzien van de auto’s 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 aanleiding bestaat voor een verdere waardevermindering van de handelsinkoopwaarde wegens schade en een verdere waardevermindering wegens het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand;
dat ten aanzien van de auto’s waarvoor een koerslijst van Eurotax beschikbaar is, deze koerslijst moet worden gehanteerd met toepassing van de correcties ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’, als dit leidt tot een lagere koerslijstwaarde dan die de Inspecteur heeft gehanteerd;
dat voor het berekenen van de afschrijving van auto’s 4, 6, 7, 8, en 10 de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor die te registreren auto’s, naar het tarief uit 2020, is verschuldigd; en
dat de handelsinkoopwaarde van de auto’s 2 en 7 moet worden verminderd wegens meer dan normale gebruiksschade zoals die is gecalculeerd in de bij de aangiften gevoegde taxatierapporten.

4.Beoordeling van het geschil

Auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10:
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 bij registratie aanwijsbare schade vertoonden die viel aan te merken als ‘meer dan normale gebruiksschade’ en dat daarom, op grond van artikel 10, lid 8, van de Wet BPM, de taxatiemethode mag worden toegepast.
4.2.
Bij toepassing van de taxatiemethode kan als referentie voor het bepalen van de taxatiewaarde van de te registreren auto, gebruik worden gemaakt van de handelsinkoopwaarde van een referentieauto die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. De in deze koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is in dat geval slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dergelijke kenmerken en eigenschappen leiden tot een bij de taxatie in aanmerking te nemen verschil ten opzichte van de koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn. [1]
4.3.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat voor auto 1, 3, 4, 5, 6, 9 en 10 de (laagste) koerslijstwaarde die DRZ in dit verband heeft gevonden, en van welke koerslijstwaarden de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag – zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar – is uitgegaan, in beginsel als uitgangspunt kunnen dienen voor de handelsinkoopwaarde. Wat betreft auto 8 heeft belanghebbende verder niet betwist dat de door de DRZ en de Inspecteur gehanteerde, aan de hand van referentievoertuigen, bepaalde handelsinkoopwaarde als uitgangspunt kan dienen. Belanghebbende betoogt echter dat de Inspecteur, in navolging van de bevindingen van DRZ, de waardedruk als gevolg van meer dan normale gebruiksschade te laag heeft vastgesteld, omdat (i) de Inspecteur niet alle meer dan normale gebruiksschade aan de respectievelijke auto’s in aanmerking heeft genomen, (ii) de Inspecteur de schade die hij wel in aanmerking heeft genomen te laag heeft gecalculeerd door uit te gaan van een uurtarief van € 80, in plaats van een uurtarief van € 84, en (iii) het gecalculeerde schadebedrag voor hogere percentages in aanmerking moet worden genomen dan de percentages die de Inspecteur heeft gehanteerd. Daarnaast is volgens belanghebbende de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand van de auto’s reden de handelsinkoopwaarde van de auto’s verder te verminderen.
4.4.
De Inspecteur heeft de door belanghebbende gestelde waardeverminderingen gemotiveerd betwist en heeft voor auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 een hogere taxatiewaarde vastgesteld. Dit maakt dat belanghebbende moet stellen en aannemelijk moet maken dat de Inspecteur de taxatiewaarde als geheel genomen te hoog heeft vastgesteld. Deze bewijslast(verdeling) heeft betrekking op alle bij vaststelling van de taxatiewaarde in aanmerking genomen gegevens. [2] Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd met betrekking tot de door haar bepleite waardedrukkende omstandigheden niet het van haar verlangde bewijs geleverd.
waardevermindering in verband met schade
4.5.
Het Hof overweegt daartoe allereerst dat het Hof op basis van de vele foto’s in het dossier, waaronder die behorende bij de verslagen van DRZ van auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10, niet de door belanghebbende gestelde meer dan normale gebruiksschade in de vorm van onder meer lakschade, overmatige steenslag en krasvorming, waarmee de Inspecteur volgens belanghebbende ten onrechte geen rekening heeft gehouden, heeft kunnen constateren. Ook overigens heeft belanghebbende de door haar gestelde meer dan normale gebruiksschade, die de Inspecteur niet in aanmerking heeft genomen, niet aannemelijk gemaakt.
4.6.
Wat betreft het te hanteren uurtarief voor het herstel van de geconstateerde schade aan auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 is het aan belanghebbende om in dit geval aannemelijk te maken dat daarvoor een hoger tarief moet worden gehanteerd dan het tarief van € 80 waar de Inspecteur van uit is gegaan. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat een uurtarief van € 84 redelijk en gangbaar is. Zonder nadere onderbouwing van deze stelling, die belanghebbende niet heeft gegeven, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het door de Inspecteur gehanteerde uurtarief in dit geval te laag is.
4.7.
Wat betreft de omvang van het waardeverminderende effect van de schade aan auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, en 10 overweegt het Hof dat op grond van artikel 3.5 van bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tekst 2020) als uitgangspunt geldt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van het schadebedrag. Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de waardevermindering als gevolg van schade aan de auto (niet zijnde normale gebruiksschade) meer bedraagt dan 72% van de geraamde herstelkosten. [3] Het Hof is van oordeel dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat voor auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, en 10 de waardevermindering als gevolg van de schade voor een hogere percentage in aanmerking moet worden genomen dan de het percentage dat de Inspecteur heeft gehanteerd, nu de door belanghebbende ingeschakelde taxateur het door hem gehanteerde percentage niet nader heeft onderbouwd. De stelling van belanghebbende dat auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, en 10 jonge auto’s met lage kilometerstanden betreffen, acht het Hof evenmin toereikend, nu dit onvoldoende zegt over de concrete waardevermindering van de hiervoor genoemde auto’s.
4.8.
Uit hetgeen het Hof hiervoor onder 4.5. tot en met 4.7. heeft geoordeeld volgt dat belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de waardevermindering als gevolg van schade aan auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 door de Inspecteur te laag is vastgesteld.
waardevermindering in verband met ontbreken oordeel RDW over kilometerstand
4.9.
Ten aanzien van het standpunt van belanghebbende dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand van auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 reden is de waarde van deze auto’s te verminderen, overweegt het Hof als volgt. Naar het oordeel van het Hof kan het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van een auto in beginsel een waardedrukkende omstandigheid zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel van de RDW een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. Het is in dit geval aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat ook ten aanzien van auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur (zie 4.4.).
4.10.
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand van auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 in dit geval een waardedrukkende omstandigheid is. In de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten wordt door de taxateur geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Belanghebbende heeft verder volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de hiervoor genoemde auto’s. In de taxatierapporten is verder met de enkele verwijzing naar de daarin opgenomen tabel onvoldoende onderbouwd dat, los van een waardevermindering wegens daadwerkelijke tellerfraude, het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand als een waardeverminderende omstandigheid moet worden beschouwd.
waardevermindering in verband toepassing koerslijst Eurotax
4.11.
Belanghebbende bepleit dat voor de auto’s waarvoor een koerslijst van Eurotax beschikbaar is (auto’s 4, 5 en 10), de handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) uit deze koerslijst moet worden gehanteerd met toepassing van de correcties ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ van in totaal 15%, als dit leidt tot de laagste koerslijstwaarde. De Inspecteur stelt dat deze correcties in dit geval niet toegepast hoeven worden, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor auto 4, 5, en 10, aanleiding bestaat deze correcties toe te passen.
4.12.
Uit de verslagen van DRZ volgt dat voor auto 4, 5, en 10, een koerslijst van Eurotax beschikbaar is en dat de handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) die uit deze koerslijst volgt lager is dan de door de Inspecteur gehanteerde handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat), indien de correcties ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ worden toegepast op de koerslijstwaarde. Nu echter voor auto 4, 5, en 10 de taxatiemethode van toepassing is, was de Inspecteur niet gehouden de hiervoor genoemde correcties op de koerslijst van Eurotax bij het opleggen van de naheffingsaanslag (ambtshalve) toe te passen, en de aldus uit deze koerslijst volgende lagere handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) als uitgangspunt te nemen. Bij toepassing van de taxatiemethode is het aan belanghebbende te stellen, en bij gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, aannemelijk te maken dat met betrekking tot de te registreren auto’s aanleiding bestaat tot toepassing van genoemde correctiefactoren. [4] Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval die correctiefactoren toegepast moeten worden. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waarom specifiek voor auto 4, 5, en 10, de correcties moeten worden toegepast. Het Hof wijst er daarbij op dat de door belanghebbende ingeschakelde taxateur in zijn taxatierapporten ook geen aanleiding heeft gezien voor het gebruik van de koerslijst van Eurotax met toepassing van genoemde correcties.
historische nieuwprijs van auto 4, 6, 8, en 10
4.13.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat ter bepaling van de historische nieuwprijs – dat wil zeggen de in artikel 10, lid 2, van de Wet BPM bedoelde som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 5, van de Wet BPM, en het bedrag aan BPM op het tijdstip waarop de te registreren auto voor het eerst in gebruik is genomen – van auto 4, 6, 8, en 10 in aanmerking moet worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen. Dit maakt dat voor de hiervoor genoemde auto’s moet worden uitgegaan van de door belanghebbende bepleite hogere historische nieuwprijzen.
invloed hogere CO2-uitstoot op handelsinkoopwaarde
4.14.
Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dit geval echter ook de handelsinkoopwaarde van de te registreren auto naar boven worden bijgesteld. De aan de hand van referentievoertuigen bepaalde handelsinkoopwaarden in onbeschadigde staat van auto 4, 6, 8, en 10 die de Inspecteur heeft gehanteerd bij het vaststellen van de naheffingsaanslag zijn gebaseerd op een lagere CO2-uitstoot dan de CO2-uitstoot die voor deze auto’s is vastgesteld.
4.15.
Naar het oordeel van het Hof is een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de handelsinkoopwaarde van de referentievoertuigen. [5] Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot wordt immers veroorzaakt door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering. [6]
4.16.
Gelet op het bij 4.15. genoemde uitgangspunt brengt de bewijsregel dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat de Inspecteur de taxatiewaarde als geheel te hoog heeft vastgesteld (zie 4.4.), vervolgens mee dat belanghebbende het bewijs moet leveren dat de afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Dit betekent dat belanghebbende de relevante feiten en omstandigheden moet aanvoeren en zo nodig aannemelijk moet maken waaruit de conclusie kan worden getrokken dat dit uitgangspunt in het geval van auto 4, 6, 8, en 10 niet opgaat.
4.17.
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet in haar bewijslast geslaagd. Belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de afwijkende CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde van auto 4, 6, 8, en 10. Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van auto 4, 6, 8, en 10 een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde van deze auto’s dat ondanks de hogere historische nieuwprijs die voor deze auto’s in aanmerking moet worden genomen, het afschrijvingspercentage niet wijzigt.
4.18.
Uit hetgeen het Hof hiervoor onder 4.4. tot en met 4.17. heeft overwogen, volgt dat de naheffingen ten aanzien auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9, en 10, zoals die luiden na de uitspraak op bezwaar, niet te hoog zijn vastgesteld.
Auto 2 en 7:
4.19.
Belanghebbende stelt ten aanzien van auto 2 en 7 dat de handelsinkoopwaarde van deze auto’s moet worden verminderd wegens meer dan normale gebruiksschade. Belanghebbende verwijst in dit verband naar de bij de aangiften gevoegde taxatierapporten. De Inspecteur stelt, onder verwijzing naar de verslagen van DRZ voor auto 2 en 7, dat geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
4.20.
Het is het aan belanghebbende die feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die meebrengen (a) dat voor auto 2 en 7 de taxatiemethode in dit geval mag worden toegepast, en (b) dat toepassing van de taxatiemethode leidt tot de door haar verdedigde waardedaling (zie ook 4.4.). Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van ten aanzien van auto 2 en 7 sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Het Hof heeft op basis van de vele foto’s in het dossier, waaronder die behorende bij de verslagen van DRZ van auto 2 en 7, niet de door belanghebbende gestelde ‘meer dan normale gebruiksschade’ in de vorm van onder meer lakschade, overmatige steenslag en krasvorming, en dergelijke kunnen constateren. Ook overigens heeft belanghebbende de door haar gestelde meer dan normale gebruiksschade niet aannemelijk gemaakt.
4.21.
Nu geen meer dan normale gebruiksschade aannemelijk is geworden, kan in beginsel de taxatiemethode niet worden gehanteerd om de handelsinkoopwaarde van auto 2 en 7 te bepalen. Dit is alleen anders indien deze auto’s als zodanig niet voorkomen op een relevante koerslijst. In dat geval mag wel de taxatiemethode worden gehanteerd.
4.22.
Tussen partijen is niet in geschil dat auto 7 als zodanig niet voorkomt op een koerslijst en dat voor auto 7 de handelsinkoopwaarde dus mag worden bepaald aan de hand van de taxatiemethode. Voor auto 7 geldt aldus dat de handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat), die de Inspecteur voor deze auto heeft afgeleid uit de XRAY-rental koerslijst, slechts een uitgangspunt vormt. Bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen, niet zijnde meer dan normale gebruiksschade, kunnen dan leiden tot in een aanmerking te nemen verschil ten opzichte van deze koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd (zie 4.2.). Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in dit geval sprake is van dergelijke waardedrukkende omstandigheden die in aanmerking moeten worden genomen. Het Hof begrijpt dat belanghebbende met betrekking tot auto 7 dezelfde waardedrukkende omstandigheden bepleit als voor auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10. Het Hof heeft hiervoor geoordeeld dat voor die auto’s belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar bepleite waardedrukkende omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen. Nu belanghebbende voor auto 7 geen andere stellingen heeft betrokken, is het Hof, gelet op hetgeen het Hof hiervoor ten aanzien van auto 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10 heeft overwogen, van oordeel dat voor auto 7 geen aanleiding bestaat voor een verlaging van de handelsinkoopwaarde die de Inspecteur voor auto 7 heeft gehanteerd. De conclusie is dan ook dat de naheffing voor auto 7 niet te hoog is vastgesteld.
4.23.
Wat betreft auto 2 staat vast dat deze auto voorkomt op een relevante koerslijst. Dit betekent, anders dan de Inspecteur ter zitting heeft betoogd, dat de taxatiemethode niet mag worden toegepast. [7] Tussen partijen is niet in geschil dat dan de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld aan de hand van de koerslijstmethode. De koerslijstmethode biedt geen ruimte voor een vermindering van de koerslijstwaarde wegens de door belanghebbende bepleite vermindering vanwege de omstandigheid dat een oordeel ontbreekt van de RDW over de kilometerstand. Belanghebbende heeft in dit verband verder niet gesteld dat het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro is geschonden. [8]
4.24.
Bij toepassing van de koerslijstmethode is de Inspecteur gehouden bij toepassing van een koerslijst van Eurotax de correcties ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’, zonder nader bewijs toe te passen, indien – zoals voor auto 2 – het belastbare feit zich heeft voorgedaan vóór 4 oktober 2021. [9] In dit geval staat vast dat toepassing van de koerslijst van Eurotax met toepassing van genoemde factoren leidt tot een lagere handelsinkoopprijs voor auto 2 (€ 23.261) dan de handelsinkoopprijs die volgt uit de koerslijst van XRAY-rental die de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag heeft gebruikt (€ 23.458). De Inspecteur betoogt dat, desondanks, in dit geval de koerslijst XRAY-rental moet worden gebruikt, omdat auto 2 een ‘ex-rental’ auto betreft en deze koerslijst daarom het meest aansluit bij deze auto. Het Hof volgt de Inspecteur niet in deze stelling. Het Hof overweegt daartoe dat ervan moet worden uitgegaan dat de variabelen die een koerslijst in aanmerking neemt, een samenhangend geheel vormen. Indien in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst een variabele als ‘ex-rental’ niet is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat dit gegeven bij de waardebepaling volgens deze koerslijst niet relevant is. [10] In de koerslijst van Eurotax zijn auto’s met een huurverleden verdisconteerd. Uit het ontbreken van een variabele als ‘ex-rental’ in die koerslijst kan, zonder nadere toelichting, die de Inspecteur niet heeft gegeven, niet worden geconcludeerd dat die koerslijst reeds daarom minder geschikt is voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van een auto met een huurverleden dan een koerslijst die die variabele wel kent of een koerslijst waarin alleen auto’s met een huurverleden zijn opgenomen. Verder is niet aannemelijk geworden dat de referentieauto die voorkomt op de XRAY-rental koerslijst wat betreft overige eigenschappen en kenmerken (zoals merk en model, type aandrijving, uitrusting, leeftijd en kilometrage, en de staat van onderhoud) beter aansluit dan het referentievoertuig dat is opgenomen op in de koerslijst van Eurotax.
4.25.
Het voorgaande betekent dat wat betreft auto 2 de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op de handelsinkoopwaarde van € 23.261, zoals die volgt uit de koerslijst van Eurotax, na toepassing van de correcties ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’. Zoals hiervoor bij 4.23. reeds overwogen, biedt de koerslijstmethode geen ruimte voor een vermindering van deze koerslijstwaarde wegens de door belanghebbende bepleite vermindering vanwege de omstandigheid dat een oordeel ontbreekt van de RDW over de kilometerstand. Belanghebbende heeft in dit verband verder ook niet gesteld dat het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro is geschonden
4.26.
Indien wordt uitgegaan van de handelsinkoopwaarde van € 23.261, leidt dit tot een afschrijvingspercentage van 50,82% [11] en een verschuldigde BPM voor auto 2, onder aftrek van de niet in geschil zijnde extra leeftijdskorting van € 231, van € 5.250 [12] . Nu belanghebbende op aangifte € 3.748 heeft voldaan, moet de naheffing voor auto 2 worden vastgesteld op € 1.502. De naheffing voor auto 2 was € 1.548, hetgeen betekent dat de naheffingsaanslag – zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar – van € 18.443, moet worden verminderd met € 46 tot € 18.397.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden. De Rechtbank heeft in haar uitspraak de Staat opgedragen het in verband met het beroep betaalde griffierecht te vergoeden. De Staat heeft geen hoger beroep ingesteld, zodat het Hof deze beslissing in stand zal laten.
5.2.
De Rechtbank heeft de kosten van belanghebbende voor de behandeling van het beroep vastgesteld op € 837 en de Staat veroordeeld tot het vergoeden daarvan. Deze veroordeling houdt verband met de veroordeling van de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij is uitgegaan van een wegingsfactor van 0,5. Omdat de Staat geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof ook deze beslissing in stand laten.
5.3.
In hoger beroep heeft belanghebbende – anders dan in eerste aanleg – (gedeeltelijk) gelijk gekregen over het geschil betreffende de naheffingsaanslag, zodat het Hof aanleiding ziet de Inspecteur nader te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.332 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)  wegingsfactor 1  € 666), € 1.868 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934) en € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934), ofwel in totaal op € 5.068. Belanghebbende heeft in beroep verzocht om een vergoeding van de kosten voor de aanwezigheid ter zitting bij de Rechtbank van de door haar meegebrachte deskundige. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank volgt dat de Rechtbank de deskundige tijdens het onderzoek ter zitting niet heeft gehoord. Het Hof ziet daarom geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van de kosten voor de aanwezigheid van de deskundige ter zitting van de Rechtbank. [13] Nu de Staat door de Rechtbank reeds is veroordeeld in de proceskosten voor een bedrag van € 837, zal het Hof de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van een bedrag aan proceskosten van € 4.231 (= € 5.068 -/- € 837).

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, proceskosten en het griffierecht,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
– vermindert de naheffingsaanslag tot € 18.397,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.231, en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het betaalde griffierecht van € 548 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie onder meer Hoge Raad 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.2. en 2.4.3.
2.Zie Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.5. en 3.2.6.
3.Zie onder andere Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084.
4.Zie Hoge Raad, 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:361, r.o. 3.4. met verwijzing aldaar naar Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310 r.o. 3.2.2 tot en met 3.2.6. en 3.3.2.
5.Vergelijk Hoge Raad 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.
6.Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858, Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914 en Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
7.Zie Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:248 r.o. 4.2.1. en Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, rechtsoverweging 3.6.1.
8.Vergelijk Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147 r.o. 3.6.2.
9.Zie Hoge Raad 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248 r.o. 4.2.3.
10.Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331 r.o. 2.3.3.
11.((€ 47.300 - € 23.261)/€ 47.300)% = 50,82%
12.(49,18% * € 11.146) -/- € 231 = € 5.250
13.Zie Hoge Raad 29 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1407, r.o. 2.5.3.