Belanghebbende betaalde op 29 augustus 2019 BPM voor een geïmporteerde kampeerauto en maakte bezwaar tegen de hoogte van de heffing. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, en veroordeelde Inspecteur en Minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de BPM te hoog was vastgesteld en dat de betaling te vroeg had plaatsgevonden. Het Hof oordeelde dat de BPM correct was berekend volgens de forfaitaire afschrijvingstabel en dat de betaling niet in strijd was met het Unierecht. De stelling dat belanghebbende niet de eerste kentekenhouder was, werd verworpen op basis van de eigen aangifte.
Het Hof stelde vast dat de redelijke termijn in de bezwaarprocedure was overschreden en dat de Inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat verlenging gerechtvaardigd was. Het Hof verhoogde de immateriële schadevergoeding tot € 2.000, waarvan € 1.590 voor rekening van de Inspecteur en € 410 voor de Minister. Voor de hogerberoepsfase werd geen vergoeding toegekend wegens geringe overschrijding en laag financieel belang.
Verder wees het Hof het beroep van belanghebbende af dat er rente verschuldigd zou zijn over het griffierecht vanaf betaling. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 907. Het hoger beroep werd gegrond verklaard voor het deel van de immateriële schadevergoeding en anders afgewezen.