ECLI:NL:GHAMS:2020:2339
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over boete wegens verboden onderverhuur sociale huurwoning
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de huurders in strijd met de huurovereenkomst de sociale huurwoning hebben onderverhuurd en of zij daarom een boete verschuldigd zijn aan verhuurder Lebo Vastgoed B.V. De huurovereenkomst bevat algemene voorwaarden (ROZ 2003) met een verbod op onderhuur zonder schriftelijke toestemming en een boetebeding voor overtreding daarvan.
De kantonrechter oordeelde dat de huurders vanaf mei 2018 zonder toestemming het gehuurde aan derden in gebruik hadden gegeven en veroordeelde hen tot een beperkte schadevergoeding, maar wees de boete af wegens een oneerlijk cumulatief boetebeding. Het hof vernietigt dit oordeel deels en oordeelt dat alleen het boetebeding uit artikel 1.4 ROZ van toepassing is en niet het algemene boetebeding uit artikel 20.6. Het hof acht het boetebeding in artikel 1.4 niet oneerlijk volgens de Richtlijn oneerlijke bedingen.
Het hof stelt vast dat de huurders vanaf 15 november 2017 tot 14 december 2018 het gehuurde zonder toestemming aan derden in gebruik hebben gegeven en veroordeelt hen tot betaling van een boete van €18.770,40 plus wettelijke rente. De eerdere schadevergoeding wordt achterwege gelaten omdat de boete hoger is. De overige vorderingen van Lebo worden afgewezen. De huurders worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Huurders worden veroordeeld tot betaling van een boete van €18.770,40 wegens verboden onderverhuur over de periode 15 november 2017 tot 14 december 2018.