ECLI:NL:CRVB:2026:883

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
24/2108 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 3:4 AwbArt. 4:84 AwbArt. 31 PWArt. 35 PW
Verwijzingen
24 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering en mentorschap zonder terugwerkende kracht

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van bewindvoering en mentorschap vanaf 1 januari 2022. Het college kende bijzondere bijstand toe vanaf 1 maart 2023, met een draagkrachtkorting, en wees de aanvraag voor de periode daarvoor af vanwege het ontbreken van een tijdige aanvraag.

Appellant stelde dat het college proceskosten in bezwaar had moeten vergoeden, bijzondere bijstand met terugwerkende kracht had moeten toekennen, en dat het beleid niet consistent werd toegepast. De Raad oordeelde dat het college niet verplicht was proceskosten te vergoeden omdat het besluit niet was herroepen, en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

Verder werd geoordeeld dat de nalatigheid van de bewindvoerder voor rekening van appellant komt, het gelijkheidsbeginsel niet tot herhaling van een incidentele fout dwingt, en dat het evenredigheidsbeginsel geen toetsing van de wettelijke termijnbepaling toestaat. De draagkrachtberekening was volgens de Raad correct toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand zonder toekenning van terugwerkende bijzondere bijstand of proceskostenvergoeding.

Uitspraak

24/2108 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 juli 2024, 23/3581 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
Datum uitspraak: 30 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een aanvraag op grond van de Participatiewet (PW) om bijzondere bijstand voor de periodieke kosten van bewindvoering en mentorschap. In geschil is of het college proceskosten in bezwaar had moeten toekennen, of het college bijzondere bijstand met terugwerkende kracht had moeten verlenen en of het college aanleiding had moeten zien om af te wijken van het draagkrachtbeleid. Appellant krijgt op alle punten geen gelijk. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J.J. Schins, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 april 2026. Voor appellant is mr. B.J.J. Schins verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van der Zwet.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant woonde van 20 augustus 2017 tot 5 februari 2022 in de gemeente EijsdenMargraten. Vanaf 5 februari 2022 woont appellant in de gemeente Maastricht.
1.2.
Met een beschikking van 6 maart 2018 heeft de kantonrechter met ingang van 7 maart 2018 bewind gesteld over de (toekomstige) goederen van appellant, omdat appellant niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. X is hierbij als bewindvoerder benoemd. Met een beschikking van 3 september 2018 heeft de kantonrechter een mentorschap ingesteld ten behoeve van appellant. X is hierbij ook als mentor benoemd.
1.3.
Van 7 maart 2018 tot en met 28 september 2020 heeft appellant van de gemeente Eijsden-Margraten gedurende diverse periodes bijzondere bijstand ontvangen voor de kosten van bewindvoering en mentorschap.
1.4.
Op 6 maart 2023 heeft appellant bij het college voor de periode vanaf 1 januari 2022 bijzondere bijstand aangevraagd voor de periodieke kosten van bewindvoering en mentorschap van € 258,94 per maand.
1.5.
Met een besluit van 15 mei 2023 heeft het college aan appellant over de periode van 1 maart 2023 tot en met 29 februari 2024 bijzondere bijstand toegekend voor de gevraagde periodieke kosten tot een bedrag van € 241,53 per maand. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant draagkracht heeft tot een bedrag van € 17,41 per maand en dus tot dat bedrag de kosten van bewindvoering zelf kan voldoen. Het college heeft de aanvraag voor zover het de periode van 1 januari 2022 tot en met 28 februari 2023 betreft afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten zijn ontstaan voordat de aanvraag op 6 maart 2023 is ingediend. In beginsel wordt hiervoor geen bijzondere bijstand toegekend. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bijzondere bijstand met terugwerkende kracht moet worden toegekend.
1.6.
Met een besluit van 9 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 15 mei 2013 gerichte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Ten aanzien van de periode van 1 januari 2022 tot 5 februari 2022 heeft het college overwogen dat het college niet bevoegd was om te oordelen over de aanvraag omdat appellant in deze periode in de gemeente Eijsden-Margraten woonde. Het college heeft de aanvraag voor deze periode doorgestuurd naar de gemeente Eijsden-Margraten. Het college heeft het verzoek om een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Kosten in verband met de behandeling van het bezwaar
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het college met het bestreden besluit het besluit van 15 mei 2023 heeft herroepen voor zover is vastgesteld dat het college over de periode van 1 januari 2022 tot 5 februari 2022 niet bevoegd was op de aanvraag te beslissen. Het college heeft volgens appellant ten onrechte geen vergoeding van de kosten in bezwaar toegekend. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.1.1.
In artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
4.1.2.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, van herroepen in de zin van dit artikellid slechts sprake indien het in bezwaar bestreden besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. [1] Hiervan is in dit geval geen sprake.
4.1.3.
In het besluit van 15 mei 2023 heeft het college over de periode van 1 januari 2022 tot 5 februari 2022 bijzondere bijstand geweigerd. Hoewel het college zich in het bestreden besluit voor die periode op het standpunt heeft gesteld niet bevoegd te zijn, strekt het bestreden besluit nog altijd tot een weigering van bijzondere bijstand voor die periode door het college. Daarmee is het beoogde rechtsgevolg van het besluit van 15 mei 2023 ongewijzigd gebleven. Gelet hierop is van herroepen van het besluit van 15 mei 2023 geen sprake en is het college op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb niet verplicht tot vergoeding van de kosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar.
4.1.4.
Dat de rechtbank buiten de omvang van het geding zou zijn getreden wordt evenmin gevolgd. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat het college kosten in bezwaar had moeten toekennen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college geen kosten in bezwaar hoefde te vergoeden. Dit maakt dat de rechtbank niet buiten de omvang van het geding is getreden.
Terugwerkende kracht bijzondere bijstand
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de periodieke kosten van de bewindvoering en mentorschap zijn ontstaan vóór de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, te weten 6 maart 2023. Tussen partijen is in geschil of voor die kosten aanspraak bestaat op verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht.
4.2.1.
Voor kosten die zijn ontstaan vóór de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW en de vaste rechtspraak over de voorloper van die bepaling (artikel 68a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet). [2] Zoals vaker overwogen [3] kunnen zulke omstandigheden zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie. Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden. [4]
4.2.2.
Wat appellant heeft aangevoerd levert geen bijzondere omstandigheden op die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigt. Dat appellant beperkingen heeft en niet in staat is zelfstandig een aanvraag in te dienen is niet in geschil. Dat is ook de reden dat over zijn goederen bewind is ingesteld en voor appellant een mentor is benoemd. Juist van een professionele hulpverlener die als bewindvoerder optreedt mag worden verwacht kennis te hebben van de relevante wet- en regelgeving en ervoor te zorgen dat een aanvraag om bijzondere bijstand om de kosten van bewindvoering te kunnen betalen tijdig wordt ingediend. Bovendien komt volgens vaste rechtspraak de nalatigheid van een bewindvoerder voor rekening en risico van de betrokkene. [5] Dat sprake is van een doorlopend bewind maakt voorts niet dat een aanvraag niet meer noodzakelijk zou zijn omdat bij besluit van 15 april 2019 bijzondere bijstand is toegekend over een afgesloten periode tot en met 28 februari 2020.
4.2.3.
Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels komen kosten die zijn ontstaan voordat de aanvraag is ingediend niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Dit artikellid is daarmee in lijn met het in artikel 44, eerste lid, van de PW opgenomen uitgangspunt. Voor zover in artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregels is opgenomen dat van het eerste lid kan worden afgeweken indien de aanvrager redelijkerwijs de aanvraag niet vooraf heeft kunnen indienen of er andere bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om voor de reeds gemaakte kosten bijstand te verlenen, is de Raad van oordeel dat hiermee niets anders is beoogd dan een weergave van de in 4.2.1 vermelde vaste rechtspraak over de uitleg van artikel 44, eerste lid, van de PW. [6] Nu geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregels, kan ook geen sprake zijn van toekenning van bijstand met terugwerkende kracht tot maximaal twaalf maanden als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Beleidsregels. Aan deze bepaling is namelijk de voorwaarde verbonden dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregels.
Gelijkheidsbeginsel
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat het college het beleid niet consistent heeft toegepast en verwezen naar een besluit van 11 juli 2024 in een andere zaak. In die zaak is bijzondere bijstand voor de kosten van curatele toegekend met terugwerkende kracht. Volgens appellant is zijn casus niet anders. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe is het volgende van belang.
4.3.1.
Daargelaten of sprake is van een vergelijkbare zaak, is van belang dat het college heeft gesteld dat de toewijzing van de bijzondere bijstand in dat geval een fout betrof. Appellant heeft geen andere, vergelijkbare, gevallen ingebracht waaruit zou kunnen blijken dat het door hem genoemde geval geen incidentele fout betreft. Volgens vaste rechtspraak gaat het gelijkheidsbeginsel niet zover dat een in een vergelijkbaar geval gemaakte fout door het college dient te worden herhaald. [7]
Evenredigheidsbeginsel
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat de weigering van het college om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.4.1.
Artikel 44, eerste lid, van de PW – zoals uitgelegd in 4.2.1 met verwijzing naar vaste rechtspraak over dat artikellid – schrijft als wet in formele zin dwingend voor dat, behoudens bijzondere omstandigheden, vóór de aanvraag ontstane kosten niet voor verlening van bijzondere bijstand in aanmerking komen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen [8] staat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan toetsing van die bepaling aan het evenredigheidsbeginsel in de weg. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Van zo’n situatie is hier geen sprake. De essentie van een dwingend geformuleerde termijnbepaling als artikel 44, eerste lid, van de PW is dat degene die niet of niet tijdig zijn aanvraag indient zijn rechten verspeelt, ook als hij daardoor financieel of anderszins wordt gedupeerd. Deze essentie kan de wetgever bij het vaststellen van deze wetsbepaling, mede gelet op de ondubbelzinnige tekst ervan, niet zijn ontgaan, zodat moet worden aangenomen dat de wetgever deze gevolgen heeft bedoeld en voorzien. Dat de wetgever in deze context niet expliciet de situatie van onderbewindstelling en de daarbij betrokken belangen heeft afgewogen, maakt niet dat die situatie niet in de wetgeving is verdisconteerd. [9]
Draagkracht
4.5.
Volgens appellant had het college bij de vaststelling van zijn draagkracht in aanmerking moeten nemen dat appellant per 1 januari 2022 zelf de kosten van bewindvoering en mentorschap van € 258,94 per maand diende te voldoen. Appellant heeft hierdoor een deel van de voor hem geldende beslagvrije voet, oftewel zijn bestaansminimum, aan moeten wenden voor de betaling van noodzakelijke kosten van bewind en mentorschap. Gelet hierop leidt toepassing van artikel 6 van Pro de Beleidsregels in zijn geval tot een onevenredige uitkomst. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe is het volgende van belang.
4.5.1.
De bijstandverlenende instantie heeft bij de vaststelling van de draagkracht in het kader van artikel 35, eerste lid, van de PW beoordelingsruimte. Deze beoordelingsruimte houdt in dat de bijstandverlenende instantie vrij is te bepalen met welk deel van het in aanmerking te nemen inkomen boven bijstandsniveau rekening wordt gehouden en over welke periode de draagkracht in aanmerking wordt genomen. Bij de vaststelling van de draagkracht kunnen geen middelen worden betrokken die buiten het wettelijk inkomensbegrip als bedoeld in artikel 31 van Pro de PW vallen. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [10] Bij de beoordeling van de draagkracht vindt geen belangenafweging plaats, maar gaat het uitsluitend om de beantwoording van de vraag of de aanvrager om bijzondere bijstand de kosten zelf kan dragen.
4.5.2.
Ter uitvoering van artikel 35, eerste lid, van de PW, heeft het college voor het vaststellen van de draagkracht artikel 6 van Pro de Beleidsregels opgesteld. Niet in geschil is dat deze beleidsbepaling als zodanig niet onevenredig is en dat het bestreden besluit in overeenstemming is met deze beleidsregel. De Raad begrijpt het standpunt van appellant aldus dat het college met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb wegens bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van artikel 6 van Pro de Beleidsregels. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of het college gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval toepassing van artikel 6 van Pro de Beleidsregels achterwege had moeten laten wegens onevenredige gevolgen ervan voor appellant.
4.5.3.
Vooropgesteld wordt dat de kosten waarop appellant doelt, zien op de periode van 1 januari 2022 tot 1 maart 2023 en dus geen betrekking hebben op de periode van 1 maart 2023 tot en met 29 februari 2024 waarover het college de draagkrachtberekening heeft gemaakt. Voorts wordt overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gevolgen van het besluit voor hem onevenredig zijn. Zoals ter zitting bij de rechtbank al duidelijk is geworden, is geen sprake geweest van opgebouwde schulden. Appellant heeft ook niet betwist dat hij die kosten gewoon betaald heeft en niet geconcretiseerd tot welke onevenredige gevolgen dit heeft geleid.

Conclusie en gevolgen

4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.

(getekend) C. Karman

(getekend) M.G.J. van Eck

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4, tweede lid
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Participatiewet
Artikel 35, eerste lid
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Artikel 43, eerste lid
Het college stelt het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
Artikel 44, eerste lid
Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
Beleidsregels bijzondere bijstand Maastricht 2018 e.v.
Artikel 5 De Pro aanvraag
1. Bijzondere bijstand wordt op aanvraag verstrekt. Kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien:
a. de aanvrager redelijkerwijs de aanvraag niet vooraf heeft kunnen indienen; of
b. indien er bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om voor de reeds gemaakte kosten bijstand te verstrekken.
3. Wanneer het genoemde in het tweede lid zich voordoet kan bijstand worden verleend met terugwerkende kracht tot maximaal 12 maanden.
Artikel 6 Het Pro vermogen en inkomen bij bijzondere bijstand
1. Voor de vaststelling van het inkomen en het vermogen worden respectievelijk artikel 31 t/m 34 van de wet aangehouden.
2. […]
3. […]
4. […]
5. Bij het volgens artikel 31 en Pro 32 van de wet voor draagkracht in aanmerking te nemen inkomen exclusief vakantiegeld, […], wordt bij een inkomen tot 110 % de geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeld geen draagkracht berekend. (vrijlating tot 110 % van de geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeld).
6. Van het voor draagkracht in aanmerking te nemen inkomen (boven de 110 %), wordt een systeem gehanteerd waarbij 3 draagkrachtpercentages worden toegepast, nl.:
a. 15% wanneer het kosten betreft die bijdragen aan het zelfstandig kunnen blijven wonen;
b. 50 % bij reguliere bijzondere kosten;
c. 35 % wanneer de aanvraag een combinatie van beide kostensoorten betreft.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 23 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY8044; 27 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4338; 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4828; 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209.
3.Zie de uitspraak van 31 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2172.
4.Zie de uitspraak van 21 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2348.
5.Uitspraak van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1355, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1196.
6.Zie ook de uitspraak van 4 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1702.
7.Zie onder meer de uitspraak van 11 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4012.
8.Zie de uitspraak van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047.
9.Zie de uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.
10.Zie de uitspraak van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1556.