Appellanten ontvingen bijstand, maar het college trok deze in en vorderde terug omdat zij niet hadden gemeld dat zij een kroeg uitbaten en handel dreven in auto’s en auto-onderdelen. Een onderzoek toonde aan dat zij vele kentekens op naam hadden en een illegale kroeg exploiteerden.
Appellanten voerden aan dat de activiteiten hobbymatig waren en dat het college hiervan op de hoogte was, maar de Raad verwierp deze argumenten. De handelstransacties en kroegactiviteiten zijn op geld waardeerbare werkzaamheden die van invloed zijn op het recht op bijstand. Het college kon het recht op bijstand niet schattenderwijs vaststellen vanwege het ontbreken van administratie.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezeggingen waren gedaan. Ook waren er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De aanvraag om bijstand werd terecht afgewezen wegens het ontbreken van wijziging in omstandigheden. Wel werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure.