ECLI:NL:CRVB:2026:491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- G.C. Boot
- S.B. SmitColenbrander
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag militair
Appellant, voormalig beroepsmilitair, werd ontslagen vanwege het bezit van harddrugs in 2015 en een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling in 2020. Na herroeping van het eerdere ontslagbesluit in 2023 verleende de minister hem opnieuw ontslag per 1 januari 2024. Het Uwv weigerde daarop de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, stellende dat het ontslag gegrond was op een dringende reden en dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. Appellant voerde aan dat het tijdsverloop van acht jaar tussen de gedragingen en het ontslagbesluit onevenredig was, maar dit werd door de rechtbank verworpen.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt en dat appellant ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die toepassing van artikel 27 WW Pro buiten toepassing zouden moeten laten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WW-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag als militair.